direct naar inhoud van 4.3 Bodem
Plan: Coppelstockstraat 1
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0501.Coppelstockstraat1-0120

4.3 Bodem

Beleid en normstelling

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak.

In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek

Ter plaatse van het plangebied is in 2007 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door adviesbureau Aqua-Terra (tegenwoordig onderdeel van adviesbureau ATKB b.v.). Uit de analyseresulaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van het plangebied licht verontreinigd is met koper, kwik en zink en matig is verontreinigd met lood. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood en zink en matig verontreinigd met koper. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties arseen aangetroffen. De verontreinigingen houden verband met de aanwezigheid van een ophooglaag bestaante uit puin en bouw- of sloopafval die gedurende het eeuwenlange gebruik van de binnenstad in de bodem tercht is gekomen.

Aangezien er een matige verontreiniging met lood en koper is aangetroffen, is de locatie niet zonder meer geschikt voor de beoogde functie van wonen (zonder tuin). Dit wordt bevestigd door de DCMR die in haar beoordeling van het bodemrapport (zie Bijlage 2) aangeeft dat er sanering dient plaats te vinden. DCMR adviseert om een plan van aanpak op te stellen en voor te leggen aan de gemeente Brielle. De verontreiniging is echter zodanig van aard dat kan worden volstaan met een melding in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen. De BUS melding is ingediend. In deze melding is uitgegaan van sanering door het aanbrengen van een duurzame afdeklaag met een omvang van circa 65 m2 waarbij geen ontgraving plaatsvindt. De werkzaamheden worden binnen één jaar na indiening van de melding uitgevoerd.

Conclusie

Na uitvoering van de gemelde saneringsactiviteiten bestaande uit het aanbrengen van een duurzame afdeklaag is de locatie geschikt voor de beoogde functie van wonen. Geconcludeerd wordt het aspect bodemkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.