direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herziening Ruimte voor Ruimte-woningen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0501.HerzRvRWoningen-0020

Toelichting

Let bij boekje maken op lettertype volgens gemeentelijk handboek: Verdana 9, regelafstand 14 punten

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Verspreid in het buitengebied van de gemeente Brielle staan kassen. Als onderdeel van de glassaneringsoperatie konden glastuinders gebruikmaken van de Ruimte voor Ruimte-regeling: ter compensatie van de te slopen kassen kunnen één of meerdere woningen worden gebouwd. Op grond van reeds gesloten overeenkomsten in het kader van de glassanering zijn rechten ontstaan voor nieuwe burgerwoningen. 

Om de ontstane rechten planologisch te kunnen accommoderen, is op 12 oktober 2010 het bestemmingsplan Ruimte-voor-ruimtewoningen vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan kunnen op acht locaties 42 van deze woningen gerealiseerd worden. Daarnaast liggen er drie reeds bestaande woningen binnen het plangebied, dit betreft voormalige bedrijfswoningen. Het blijkt echter dat deze woningen nauwelijks verkoopbaar zijn. Dit is te wijten aan de te beperkte maximum inhoudsmaat en de regels ten aanzien van de positionering van de bebouwing die zijn opgenomen in het voornoemde bestemmingsplan. Om die reden is er voor één van de woningen al een separaat bestemmingsplan opgesteld waarin ruimere bouwmogelijkheden opgenomen zijn.

Nu is de gemeente Brielle voornemens deze ruimere mogelijkheden ook toe te staan voor de overige 41 woningen, teneinde de verkoopbaarheid te verbeteren. De ruimere mogelijkheden zijn ook van toepassing op de drie bestaande woningen. Om die reden is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Dit betreft een herziening op het in 2010 vastgestelde plan waarin de ruimere bouwmogelijkheden zijn opgenomen.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied betreft de volgende locaties:

  • 1. Bollaarsdijk: achter en naast nr. 17/17a (8 nieuwe woningen);
  • 2. Kloosterweg 28: aan weerszijde van nr. 28 (2 nieuwe woningen en 1 bestaande woning);
  • 3. Kloosterweg 54 en De Rik: tussen nr. 50 en 54, tussen nr. 54 en 60 en langs De Rik (7 nieuwe woningen, 1 bestaande woning en herbouw woning Kloosterweg 52);
  • 4. Waterweg: ten westen van Landsweg nr. 1, 3 en 3a (5 nieuwe woningen);
  • 5. Landsweg: ten noorden van nr. 2 (9 nieuwe woningen);
  • 6. Landsweg-Waterweg: tussen nr. 2 en de Waterweg (5 nieuwe woningen);
  • 7. Dorpsdijk: ten zuiden van nr. 38a (4 nieuwe woningen);
  • 8. Tussenweg 2a: schuin tegenover nr. 2a (1 bestaande woning).

In figuur 1.1 is een overzicht opgenomen van de betreffende locaties. De nummers van de opsomming refereren naar de nummers op de kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.HerzRvRWoningen-0020_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging plangebied

Het plangebied is gelijk aan het plangebied van het in 2010 vastgestelde plan, minus het kavel Landsweg 4 en de agrarische en verkeersbestemmingen. Voor het kavel Landsweg 4 is een apart postzegelbestemmingsplan vastgesteld. De agrarische en verkeersbestemmingen maken geen deel uit van dit plan omdat de vigerende regels voor deze bestemming niet herzien worden, slechts de regels van de woonbestemming uit het in 2010 vastgestelde plan worden herzien.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Binnen het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Ruimte-voor-ruimte woningen' dat op 12 oktober 2010 is vastgesteld door de raad. De percelen hebben hierin de bestemming 'Wonen' en zijn (al dan niet deels) voorzien van een bouwvlak. Op bepaalde delen van percelen ligt de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - zonder woning'. Ter plaatse van locatie '7' is daarnaast sprake van een archeologische verwachtingswaarde.

In de voorschriften van de bestemming 'Wonen' is onder andere bepaald dat de inhoud van een woning ten hoogste 750 m³ mag bedragen en het hoofdgebouw ten minste 5 m uit de zijdelingse perceelsgrenzen gesitueerd dient te zijn. Daarnaast mag de voorgevel van het hoofdgebouw niet breder zijn dan 30% van de breedte van de kavel.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het doel van dit bestemmingsplan beschreven. In hoofdstuk 3 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevant beleidskaders. Hoofdstuk 4 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Verder zijn in hoofdstuk 5 de conclusies van de uitgevoerde relevante sectorale onderzoeken opgenomen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van dit plan.

Hoofdstuk 2 Doel van het bestemmingsplan

2.1 Context

Op diverse locaties in het buitengebied van Brielle maken glastuinbouwbedrijven deel uit van het glassaneringsprogramma dat in 2006 is opgesteld. Medio 2011 waren alle kassen en bedrijfsgebouwen gesloopt en was het project voltooid. Op grond van de Ruimte-voor-Ruimteregeling zijn rechten ontstaan voor 52 nieuwe burgerwoningen. Hiervoor is in 2010 het voornoemde bestemmingsplan 'Ruimte-voor-ruimte woningen' vastgesteld. Dat bestemmingsplan gaat in op de ontwikkeling van 42 van de 52 woonkavels en de 3 bestaande woningen, waarvan 38 kavels door de gemeente ontwikkeld worden en 4 kavels door particulieren. Eén van de kavels is reeds ontwikkeld door middel van een postzegelbestemmingsplan.

De resterende 41 woonkavels worden op diverse locaties ontwikkeld, verspreid over het buitengebied van de gemeente Brielle. De kavels bieden zicht op de weilanden en in een aantal gevallen op het stadsaanzicht van Brielle, terwijl ze tegelijkertijd goed te bereiken zijn vanuit het stedelijke gebied rond Rotterdam. De locaties variëren in openheid door de ligging ten opzichte van de kernen en de hoeveelheid omringende bebouwing. Een deel ligt vrij in de polder terwijl andere locaties aan de kern grenzen en afgeschermd worden door omliggende bebouwing. De drie bestaande woningen maken ook onderdeel uit van onderhavig plan. In totaal bestaat het plangebied dus uit 44 woonkavels.

Destijds is er een ontwikkelingsparagraaf opgesteld voor de nieuw te bouwen woningen. Hierin staan richtlijnen en criteria die er voor moeten zorgen dat de nieuwbouw een bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving. De richtlijnen en criteria hebben onder andere betrekking op de afstand tussen woningen, positionering op het kavel en architectonische uitwerking. Een aantal richtlijnen is overgenomen in het in 2010 vastgestelde plan.

2.2 Meer flexibiliteit

Gebleken is dat een aantal bouwregels in het bestemmingsplan 'Ruimte-voor-ruimtewoningen' de potentiële verkoop van de woningen in de weg staat. Met name de maximum inhoudsmaat van 750 m³, de regels ten aanzien van de positionering van de gebouwen op de kavels en de regeling ten aanzien van de maximum voorgevelbreedte blijken beperkend te zijn. Dit heeft er in geresulteerd dat er tot op heden slechts één woning is verkocht, en hiervoor moest nota bene een apart bestemmingsplan opgesteld worden met verruimde bouwregels. Dit betreft een woning op het kavel Landsweg 4.

Om de verkoopbaarheid te verbeteren is in 2011 een nieuwe ontwikkelingsparagraaf vastgesteld die meer flexibiliteit biedt. De belangrijkste verschillen met de eerder opgestelde ontwikkelingsparagraaf zijn hieronder opgesomd:

  • de maximum inhoudsmaat is verhoogd van 750 m³ naar 900 m³;
  • de bepaling dat de voorgevelbreedte ten hoogste 30% van de kavelbreedte mag bedragen is komen te vervallen.

Het bovenstaande is verwerkt in de voorliggende herziening op het in 2010 vastgestelde plan. De verruimde bouwmogelijkheden zijn ook van toepassing op de drie bestaande woningen binnen het plangebied. Wanneer deze gesloopt worden kunnen ter plaatse dus woningen conform bovenstaande bouwmogelijkheden teruggebouwd worden.

De opnieuw vastgestelde ontwikkelingsparagraaf (13 december 2011) wordt in paragraaf 3.3 beknopt toegelicht.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Artikel 3.1.6 van het Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking (SVIR/Bro)

De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barrro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

Beoogde ontwikkeling

Voorliggend plan maakt ten opzichte van het in 2010 vastgestelde plan geen extra woningen mogelijk. Het gaat daarom om reeds planologisch mogelijk gemaakte bouwmogelijkheden. Toetsing aan artikel 3.1.6. Bro kan in dit geval dus achterwege blijven. Verder kenmerken het SVIR en het Barro zich door een hoog abstractieniveau en bevatten derhalve geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid.

3.2 Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

4 rode draden

In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:

1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,

2. vergroten van de agglomeratiekracht,

3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,

4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Verordening ruimte 2014

In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.

Artikel 2.1.1, lid 1: Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Beoogde ontwikkeling

Zoals vermeld in paragraaf 3.1 maakt dit plan geen extra woningen mogelijk ten opzichte van het in 2010 vastgestelde plan en valt de beoogde ontwikkeling derhalve niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook de toetsing aan de provinciale ladder voor duurzame verstedelijking kan dus achterwege blijven.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Brielle

Op 8 december 2009 is door de gemeenteraad van Brielle de structuurvisie Brielle vastgesteld. In de structuurvisie zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en het ruimtelijk beleid verankerd. Doelstelling van de structuurvisie is het bieden van een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een ruimtelijke structuur die bijdraagt aan:

  • goed kunnen wonen en leven in de gemeente;
  • de cultuurhistorische identiteit van Brielle;
  • een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling.

De inhoud van de structuurvisie wordt vormgegeven aan de hand van 9 ambities. Van deze ambities is het onderwerp 'woningbouw' van belang voor de onderhavige ontwikkeling. Naast duurzame invulling van het woningbouwprogramma, zet de gemeente eveneens in op een gedifferentieerde en vraaggerichte woningbouw, waarbij ook het bouwen van woningen in het duurdere segment nodig is.

Ontwikkelingsparagraaf

De gedachte bij het Ruimte voor Ruimte-beleid is dat nieuwbouw een bijdrage moet leveren aan de kwaliteit van de omgeving. De ontwikkelingsparagraaf is een specifieke uitwerking van de algemene criteria uit de Welstandsnota, aangevuld met landschappelijke overwegingen. De hoofdlijnen vormen een interpretatiekader met enige flexibiliteit voor de landschappelijke en architectonische invulling van de verschillende locaties. In de visie op hoofdlijnen wordt aangegeven op welke wijze de bouwwerken evenwichtig kunnen worden ingepast op de kavels voor wat betreft plaatsing, bouwmassa, architectonische uitwerking, materiaal en kleur.

Beoogde ontwikkeling

De ruimte-voor-ruimte kavels worden expliciet genoemd in de gemeentelijke structuurvisie. De beoogde ontwikkeling is daarmee in lijn met dit beleidsdocument. Ten aanzien van de ontwikkelingsparagraaf het volgende. Wanneer de kavels bebouwd worden, zullen de richtlijnen en criteria uit dit document in acht genomen worden.

Dit beleid bevat overigens geen bepalingen ten aanzien van een maximale inhoudsmaat of voorgevelbreedte. In dit plan worden (ten opzichte van het in 2010 vastgestelde plan) de maximale inhoudsmaat vergroot en komt de bepaling ten aanzien van de maximale gevelbreedte te vervallen. Omdat deze zaken geen onderdeel uitmaken van de ontwikkelingsparagraaf, is er geen strijdigheid met dit beleid.

Hoofdstuk 4 Milieuonderzoek

4.1 Bodem

Beleid en normstelling

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek en conclusie

De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 41 woningen op verschillende locaties in het buitengebied van Brielle. Alle beoogde locaties hebben reeds de bestemming wonen, waardoor er vanuit gegaan kan worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Dit blijkt ook uit de verkennende bodemonderzoeken die in het kader van het in 2010 vastgestelde bestemmingsplan zijn uitgevoerd. De onderzoeksresultaten vormen geen aanleiding voor aanvullend bodemonderzoek, en sinds het onderzoek hebben er geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden op de kavels. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 5.1 Relevante luchtkwaliteitsnormen

stof   toetsing van   grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)1)   jaargemiddelde concentratie   40 µ g/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µ g/m³   vanaf januari 2015  

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekende mate (nibm)

In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2/µgm3);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.

Onderzoek en conclusie

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 41 woningen op diverse locaties in Brielle. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen van het Besluit nibm. De ontwikkelingen dragen dan ook 'niet in betekende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Zodoende kan afgezien worden van nader onderzoek naar dit aspect.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2013 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de wegen in het buitengebied van Brielle ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Geluidhinder

Aangezien de locatie is gelegen binnen de zone van een industrieterrein en binnen de zones van wegen, is het in het kader van de te volgen planologische procedure en het bepalen van de benodigde geluidwering van belang om de geluidsbelasting ter plaatse te weten. Het plan valt niet binnen de zones van spoorwegen en niet binnen de zone van Rotterdam Airport (luchtvaartlawaai). Door DCMR is akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 3. Onderstaand is een korte samenvatting per locatie opgenomen.

Dorpsdijk: ten zuiden van nr. 38a (4 nieuwe woningen)

Uit de berekeningen blijkt dat de ten gevolge van het industrieterrein en ten gevolge van het verkeer op de Dorpsdijk sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Ten gevolge van het verkeer op de Dammenweg wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Voor drie nieuwe woningen dient dan ook een besluit hogere waarde te worden vastgesteld.

Bollaarsdijk: achter en naast nr. 17/17a (8 nieuwe woningen)

Uit de berekeningen blijkt dat de ten gevolge van het industrieterrein de hoogst toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden. Voor acht nieuwe woningen dient dan ook een besluit hogere waarde te worden vastgesteld.

Ten gevolge van het verkeer op de nieuwe ontsluitingsweg is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

Kloosterweg 28: aan weerszijde van nr. 28 (2 nieuwe woningen en 1 bestaande woning)

Ten gevolge van het industrieterrein is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Er is dus geen procedure hogere waarde noodzakelijk.

Kloosterweg 54 en De Rik: tussen nr. 50 en 54, tussen nr. 54 en 60 en langs De Rik (7 nieuwe woningen, 1 bestaande woning en herbouw woning Kloosterweg 52)

Uit de berekeningen blijkt dat de ten gevolge van het industrieterrein en ten gevolge van het verkeer op De Rik en Kloosterweg sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Er is dus geen procedure hogere waarde noodzakelijk.

Landsweg: ten noorden van nr. 2 (9 nieuwe woningen)

Uit de berekeningen blijkt dat de ten gevolge van het industrieterrein de hoogst toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden. Voor negen nieuwe woningen dient dan ook een besluit hogere waarde te worden vastgesteld.

Landsweg-Waterweg: tussen nr. 2 en de Waterweg (5 nieuwe woningen)

Uit de berekeningen blijkt dat de ten gevolge van het industrieterrein en ten gevolge van het verkeer op de Groene Kruisweg (N218) de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor twee nieuwe woningen dient dan ook een besluit hogere waarde te worden vastgesteld ten gevolge van het industrieterrein en voor drie woningen ten gevolge van de Groene Kruisweg. Omdat er momenteel sprake is van een nieuwe verkaveling, dient voor alle woningen een besluit hogere waarden te worden vastgesteld ten gevolge van het industrieterrein en de Groene Kruisweg. Gezien de resultaten van het akoestisch onderzoek voor deze en andere locaties, is het aannemelijk dat met een hogere waarde voor wegverkeerslawaai van 53 dB (de maximale ontheffingswaarde) en een hogere waarde voor industrielawaai van 52 dB het bestemmingsplan kan worden uitgevoerd.

Waterweg: ten westen van Landsweg nr. 1, 3 en 3a (5 nieuwe woningen)

Uit de berekeningen blijkt dat de ten gevolge van het industrieterrein en ten gevolge van het verkeer op de Groene Kruisweg (N218) de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor vijf nieuwe woningen dient dan ook een besluit hogere waarde te worden vastgesteld ten gevolge van het industrieterrein en voor vijf woningen ten gevolge van de Groene Kruisweg.

Tussenweg 2a: schuin tegenover nr. 2a (1 bestaande woning)

Ten gevolge van het verkeer op de N57 wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Voor de reeds gebouwde woning dient dan ook een besluit hogere waarde te worden vastgesteld.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • Ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • Rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

Onderzoek

Algemeen

In de gemeente Brielle worden met dit plan 41 burgerwoningen mogelijk gemaakt en worden voor 3 bestaande woningen de bouwmogelijkheden vergroot. De beoogde en bestaande woningen liggen in het buitengebied. Het plangebied kan aangemerkt worden als 'rustig buitengebied' op basis van de VNG-publicatie.

In het kader van het in 2010 vastgestelde bestemmingsplan heeft de DCMR onderzocht of de ontwikkeling van nieuwe woningen gevolgen kan hebben voor de naastgelegen bedrijven. In de huidige situatie zijn voor het grootste deel van het plangebied geen veranderingen ontstaan in de aanwezige bedrijven en wordt uitgegaan van de resultaten uit het in 2010 vastgestelde plan (zie Bijlage 1). Uitgezonderd zijn de locaties aan de Waterweg, Landsweg en Landsweg-Waterweg. In de omgeving van deze locaties zijn nieuwe bedrijven gevestigd, deze gegevens zijn geactualiseerd.

Conclusie

Bij de inrichting van de percelen op de locaties Landsweg en Landsweg-Waterweg dient rekening te worden gehouden met het aspect geluid van de naastgelegen agrarische bedrijfsgebouwen. Bij de locaties Bollaarsdijk en Kloosterweg 28 dient rekening te worden gehouden met het aspect geur, in verband met een paardenhouderij en een agrarisch bedrijf. Op de woonpercelen is voldoende ruimte om met beide aspecten rekening te houden. In de nabijheid van de locaties Dorpsdijk, Tussenweg 2a, Waterweg en Kloosterweg 54 en De Rik zijn geen inrichtingen aanwezig die met de realisatie van de woningen in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid rekening te worden gehouden met:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 m strekken.

Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid (BTEV) is de circulaire reeds aangepast, waarbij onder andere de veiligheidsafstanden en plasbrandaandachtsgebieden uit het Basisnet Weg en Basisnet Water zijn opgenomen.

Onderzoek

In het in 2010 vastgestelde bestemmingplan is reeds ingegaan op de in de omgeving aanwezige risicorelevante bronnen, zoals de routes voor vervoer gevaarlijke stoffen over de N57 en de N218. Deze gegevens zijn geactualiseerd (zie Bijlage 2).

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid dient rekening te worden gehouden met het volgende. De locaties Dorpsdijk en Tussenweg 2a zijn gelegen binnen het invloedsgebied van de N57 en de locaties Waterweg, Landsweg-Waterweg en Landsweg zijn (deels) gelegen binnen het invloedsgebied van de N218, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling wordt een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht.

De in de nabijheid van de locaties Kloosterweg 28 en Kloosterweg 54 en De Rik gelegen transportleidingen leveren geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling vanwege de huidige lage omvang van het groepsrisico en de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkelingen.

De aanwezigheid van de verschillende risicobronnen levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkelingen. Omdat een aantal ontwikkellocaties binnen het invloedsgebied van de risicobronnen zijn gelegen en de ontwikkelingen een toename in de personendichtheid tot gevolg hebben, is wel een verantwoording van het GR nodig. Bij deze verantwoording zal aandacht besteed worden aan de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied. In het kader van het wettelijk vooroverleg zal hierover advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio.

PM Verantwoording groepsrisico na reactie veiligheidsregio

4.6 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. (PM reactie)

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerplan 2009-2015 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Voor een toename aan verhard oppervlak moet 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de verharding toeneemt.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Brielle en bestaat uit een acht locaties.

Bodem en grondwater

De bodem in het plangebied bestaat conform de bodemkaart van Nederland uit zeeklei. In het grootste deel van het plangebied is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand van nature tussen 0,4 m en 0,8 m beneden het maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwatertrap lager dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. De maaiveldhoogte in het grootste deel van het plangebied is circa -0,5 NAP. Ter plaatse van de percelen aan de Dorpsdijk en de Tussenweg 2a is sprake van grondwatertrap II (GHG < 0,4 m en [0,5 < GLG < 0,8]) en varieert de maaiveldhoogte tussen de NAP -1 m en NAP -1,5 m. Verder maakt het gebied geen onderdeel uit van een grondwaterwingebied of een grondwaterbeschermingszone.

Veiligheid en waterkeringen

In het plangebied bevinden zich geen primaire of secundaire waterkeringen.

Waterkwantiteit

De percelen bevinden zich in vijf verschillende peilvakken. De door het waterschap gehanteerde waterpeilen per perceel zijn in de onderstaande tabel weergegeven. In de directe omgeving van de percelen bevinden zich diverse hoofd- en secundaire watergangen.

locatie   peilvak   waterpeil
(m ten opzichte van NAP)  
Bollaarsdijk   165   -1,50  
Landsweg & Waterweg   184 & 193   -1,75 & -2,25  
Kloosterweg 54 & de Rik   177   -1,10  
Kloosterweg 28   177   -1,10  
Dorpsdijk   204   -2,30  
Tussenweg 2a   204   -2,30  

Waterkwaliteit

Op en in de omgeving van de percelen bevinden zich geen KRW-wateren. Verder wordt de waterkwaliteit voor een belangrijk deel bepaald door de zoete wateraanvoer uit het Brielse Meer.

Afvalwaterketen en riolering

De huidige bebouwing is aangesloten op een drukriolering.

Toekomstige situatie

Algemeen

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 41 woningen mogelijk. Tevens liggen er drie bestaande woningen binnen het plangebied.

Waterkwantiteit

In het kader van de provinciale ruimte voor ruimte regeling worden in dit plan 41 nieuwe woonkavels op diverse locaties mogelijk gemaakt. Hiervoor is glastuinbouw op zowel de percelen zelf als elders binnen de gemeentegrens gesloopt. De diverse locaties zijn gelegen in vijf verschillende peilgebieden.

Uit het in 2010 vastgestelde plan blijkt dat in ieder peilgebied de sanering van de glastuinbouw groter is dan de beoogde ontwikkeling van de woningen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt een vergroting van de inhoudsmaat van de woningen mogelijk, maar de bouwvlakken blijven gelijk. Ook voor het voorliggende plan geldt dus dat het oppervlak van de gesaneerde glastuinbouw groter is dan de te realiseren woningen. Er is dus geen sprake van toename in verharding. In het kader van het in 2010 vastgestelde bestemmingsplan is met het waterschap afgesproken dat geen rekening gehouden hoeft te worden met te saneren waterbassins. Geconcludeerd kan worden dat watercompensatie niet aan de orde is.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd) watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.7 Ecologie

Bestaande situatie

Het plangebied bestaat uit de volgende locaties:

  • Kloosterweg 54 en De Rik; bestaat uit opgaand groen, zandvlakten met jonge gecultiveerde (intensief beheerd) planten en potplanten en sloten;
  • Kloosterweg 28; bestaat uit grasland, opgaande begroeiing, zandig terrein en sloten;
  • Bollaarsdijk; bestaat uit grasland, akkerland, jonge opgaande begroeiing, gecultiveerde beplanting en een sloot met rietbegroeiing;
  • Waterweg; bestaat uit verruigd perceel met aan de rand bramenstruiken en een sloot;
  • Landsweg-Waterweg; bestaat uit grasland, sloten en bomen;
  • Landsweg; bestaat uit zandig terrein, verruigd terrein, terrein met opslag van elzen en populieren, akkerland, sloot en opgaande begroeiing;
  • Dorpsdijk; bestaat uit verruigd perceel, opgaande begroeiing en sloot;
  • Tussenweg 2a; bestaat uit akkerland en sloot.

Beoogde ontwikkelingen

De locaties zullen worden heringericht. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen als volgt worden omschreven:

  • realisatie woningen;
  • nieuwe groeninrichting.
  • kappen bomen en struiken;
  • sloten gedempt of verbreed;
  • grondwerkzaamheden;

Normstelling

Provinciale Verordening

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang;
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • d. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • e. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • f. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek en toetsing

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Zie ook figuur 4.2. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Voornes Duin. Dit gebied ligt ca. 2,4 km ten noordwesten van de gemeente. In het zuidoosten van de gemeente ligt een belangrijk weidevogelgebied. Dit gebied ligt op ca. 700 m van de locaties Tussenweg en Dorpsdijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.HerzRvRWoningen-0020_0002.png"

Figuur 4.2 EHS

De relatief kleinschalige ontwikkelingen leiden niet tot aantasting of verstoring van de verder weg gelegen Natura 2000-gebieden, EHS of ecologische verbindingszones. De bouwwerkzaamheden kunnen aan de Tussenweg en Dorpsdijk kunnen wel tot tijdelijke verstoring van het weidevogelgebied leiden. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren wordt deze verstoring echter tot een minimum beperkt. Significant negatieve effecten als gevolg van de geboden ontwikkelingsmogelijkheden kunnen dan ook worden uitgesloten.

De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

In 2010 is ecologisch veldonderzoek uitgevoerd. In tabel 4.1 zijn de resultaten van dit onderzoek opgenomen. De situatie in het plangebied is sinds 2010 niet wezenlijk veranderd, zodat voor dit bestemmingsplan nog uitgegaan kan worden van deze resultaten. Voorafgaand aan concrete bouwinitiatieven zal voor de omgevingsvergunningaanvraag echter met een actueel onderzoek moeten worden aangetoond dat er ter plaatse geen beschermde soorten aanwezig zijn.

Tabel 4.1 Beschermde soorten in het plangebied en het beschermingsregime

locatie   vrijstellingsregeling   ontheffingsregeling Ffw    
  tabel 1   tabel 2   tabel 3   vogels  
      bijlage 1 AMvB   bijlage IV HR   cat. 1 t/m 4   cat. 5  
Kloosterweg 54
 
egel en veldmuis

kleine watersalamander, gewone pad, groene en bruine kikker  
    foeragerende vleermuizen     spreeuw, koolmees en pimpelmees zonder vaste rust- en verblijfplaats  
Kloosterweg 28
 
veldmuis, mol, woelrat, wezel en konijn

kleine watersalamander, groene- en bruine kikker  
    foeragerende vleermuizen     spreeuw, koolmees en pimpelmees zonder vaste rust- en verblijfplaats  
Bollaarsdijk
 
veldmuis, dwergmuis, bosmuis, huisspitsmuis, bosspitsmuis, woelrat, wezel, haas, ree en mol

kleine watersalamander, gewone pad, groene en bruine kikker  
    foeragerende vleermuizen     zwarte kraai, pimpelmees en koolmees zonder vaste rust- en verblijfplaats  
Waterweg
 
veldmuis, bosmuis, egel, wezel

gewone pad, kleine watersalamander, bruine en groene kikker  
    foeragerende vleermuizen     spreeuw, koolmees en pimpelmees zonder vaste rust- en verblijfplaats  
Landsweg-Waterweg
 
egel en veldmuis

kleine watersalamander, groene en bruine kikker  
    foeragerende vleermuizen     spreeuw, koolmees en pimpelmees zonder vaste rust- en verblijfplaats  
Landsweg
 
veldmuis, dwergmuis, bosmuis, huisspitsmuis, bosspitsmuis, woelrat, wezel, haas, ree en mol

gewone pad, kleine watersalamander, bruine en groene kikker  
    foeragerende vleermuizen     koolmees en pimpelmees zonder vaste rust- en verblijfplaats  
Dorpsdijk
 
veldmuis, dwergmuis, bosmuis, huisspitsmuis, bosspitsmuis, woelrat, wezel, haas, ree en mol

gewone pad, kleine watersalamander, bruine en groene kikker  
    foeragerende vleermuizen     zwarte kraai, koolmees en pimpelmees zonder vaste rust- en verblijfplaats  
Tussenweg 2A
 
veldmuis, dwergmuis, bosmuis, huisspitsmuis, bosspitsmuis, woelrat, wezel, haas, ree en mol

groene kikker en kleine watersalamander  
         

Bij de ontwikkelingen dient verder rekening te worden gehouden met de volgende voorwaarden:

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).

De Flora- en faunawet staat, met inachtneming van de genoemde voorwaarden, de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Op alle locaties is in het kader van het in 2010 vastgestelde bestemmingsplan archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen noodzaak is tot nader archeologisch onderzoek, met uitzondering van het perceel Tussenweg 2a. Op deze locatie dient bij nieuwe bouwplannen welke groter zijn dan 250 m² nader onderzoek uitgevoerd te worden. Dit is juridisch-planologisch geborgd door op dit perceel een archeologische dubbelbestemming op te nemen (Waarde - Archeologie 4). In deze regels van deze bestemming is bepaald dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien er bodemverstorende werkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 250 m² en een diepte van 50 cm of meer beneden maaiveld.

Cultuurhistorie

De gronden binnen het plangebied waren in het verleden bebouwd met kassen. Deze zijn reeds gesaneerd. Er is dus geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing binnen het plangebied.

4.9 Mer-beoordeling

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 41 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggend regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Voorliggend plan is opgesteld conform SVBP 2012, de geldende standaard.

Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

5.2 Regels

Inleidende regels (hoofdstuk 1)

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze

van meten.

Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)

Wonen (artikel 3)

De locaties waar de woonkavels gerealiseerd worden, zijn geheel aangewezen voor de bestemming Wonen. Naast het hoofdgebruik is ook beroep-aan-huis tot maximaal 60 m² toegestaan. De kavels zijn vrij diep en het is wenselijk om de bebouwing voor op de kavel te situeren. Daarom is op het achterste gedeelte van de kavels een specifieke bouwaanduiding opgenomen, die de bouw van woningen op dit deel van het bouwvlak uitsluit. Op deze gronden mogen wel bijgebouwen worden gebouwd. Om ervoor te zorgen dat de woningen op voldoende afstand van de wegen worden gebouwd, zodat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder, zijn de bouwvlakken een stuk van de weg af gelegen. Voor de woningen, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen is een maximale inhoudsmaat van 900 m³ opgenomen met een maximale goothoogte van 4,5 m en een maximale bouwhoogte van 10 m. Per kavel is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen waarbinnen één woning is toegestaan. Naast de regelgeving welke op de verbeelding is opgenomen, zijn er in de regels aanvullende vereisten opgenomen. Deze hebben voornamelijk betrekking op de positionering van de hoofd- en bijgebouwen op het kavel, afkomstig uit de ontwikkelingsparagraaf.

Op de locaties Kloosterweg 28 en Kloosterweg 54 liggen voormalige agrarische bedrijfswoningen. Deze zijn door middel van het in 2010 vastgestelde bestemmingsplan omgezet naar burgerwoning. Deze woningen zijn voorzien van de aanduiding 'sw-vab' (specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijfscomplex). Bij de woningen die voorzien zijn van deze aanduiding zijn enkele nevenfuncties rechtstreeks of via afwijken toegestaan.

Met dit bestemmingsplan worden 41 nieuwe burgerwoningen in het plangebied mogelijk gemaakt. Daarnaast liggen er drie bestaande woningen binnen het plangebied. Het totaal aantal woningen in het plangebied, verdeeld over verschillende locaties, bedraagt daarmee 44. In verband met de Ruimte-voor-Ruimterechten, mag dit totale aantal woningen niet worden overschreden. Wel wenst de gemeente flexibiliteit te behouden voor het aantal woningen per locatie. Indien het tijdens de verkoop wenselijk blijkt te zijn, wil de gemeente per locatie ten hoogste één woning meer of minder kunnen realiseren. Om het totaal aantal woningen niet te wijzigen, betekent dit dat wanneer het gewenst is om op een locatie één woning extra te bouwen, er op een andere locatie één woning minder gebouwd dient te worden. De bouw- Juridische planbeschrijving vlakken voor de woningen zijn gelijkmatig over de locaties verdeeld. Bij een wijziging in het aantal woningen dienen alle bouwvlakken binnen deze locatie daarom opnieuw verdeeld te worden. Om deze flexibiliteit mogelijk te maken, is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Waarde - Archeologie - 4

Uit archeologisch onderzoek op de locatie Tussenweg 2a blijkt dat hier nog archeologische sporen aanwezig zijn. Ter bescherming van deze waarden is deze locatie voorzien van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 4, conform de archeologische regeling in de 1e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied. Het bouwen van bebouwing dieper dan 50 cm en groter dan 250 m² is alleen toegestaan indien een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Ter bescherming van de aanwezige waarden zijn tevens aanlegregels opgenomen.

Algemene regels (Hoofdstuk 3)

In de algemene regels zijn aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast

bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels, wijzigingsregels en afwijkingsregels.

Overgangs- en slotregels (Hoofdstuk 4)

In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht

voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van ... tot ... ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

De gronden van de 38 door de gemeente te ontwikkelen woonkavels zijn eigendom van de gemeente. De overige 3 kavels zijn in eigendom van particulieren. Alle kosten die gemoeid zijn met het opstellen van dit bestemmingsplan zijn voor rekening van de gemeente. Voor de ontwikkeling van de woonkavels door particuliere grondeigenaren zijn anterieure overeenkomsten tussen de gemeente en de eigenaren gesloten. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende gewaarborgd.