direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oudeweg West 5, Zwartewaal
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaar van het tuinbouwbedrijf aan de Oudeweg West 5 te Zwartewaal is voornemens zijn bedrijfsvoering eind 2018 te beëindigen en de aanwezige glasopstanden te slopen. In totaal wordt er 8.500 m2 aan glasopstanden en 1 ha aan verharding gesaneerd. Daarbij wordt de strook grond langs de Kanaaldijk groen ingericht. Langs de Oudeweg West, op de plek van de te saneren glasopstanden, wenst de initiatiefnemer twee nieuwe woningen te realiseren. Verder wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Met deze ontwikkeling treedt er per saldo een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op in het landelijk gebied.

De geldende planologische situatie, vastgelegd in de beheersverordening van maart 2017, is strijdig met deze ontwikkeling. Om deze ontwikkeling toch juridisch-planologisch te kunnen regelen, is voor de planlocatie dit nieuwe bestemmingsplan opgesteld.

De gemeente heeft in een principebesluit (d.d. 29 mei 2018) aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief, mits de aanwezige glasopstanden worden gesloopt, de strook verharding komt te vervallen en het perceel landschappelijk wordt ingepast. Daarnaast dient voor de ruimtelijke uitgangspunten aan te worden gesloten bij het omgevingsplan. Het omgevingsplan voor het landelijk gebied van de gemeente Brielle is nog niet van kracht, maar op dit moment in voorbereiding. Het omgevingsplan stelt dat nieuwe stedelijke functies mogelijk zijn, mits deze passen bij de koers & kwaliteiten van de Veenpolders en er sprake is van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. In dit postzegelbestemmingsplan is onderbouwd dat deze ontwikkeling aan deze vereisten voldoen.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de Oudeweg West 5 te Zwartewaal. Het gaat om gronden aan weerszijden van de doorgaande weg. Het plangebied beslaat de kadastrale percelen H232,H299, H374, H377 en H378.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0001.jpg"

Figuur 1.1. - Plangebied (luchtfoto: Google Earth)

1.3 Geldende planologische situatie

De geldende planologische situatie in het plangebied vastgelegd in de 'Beheersverordening Landelijk Gebied', vastgesteld op 21 februari 2017 door de gemeenteraad van Brielle. Door middel van een besluitsubvak verklaart deze beheersverordening de regeling van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' uit 2007 van toepassing op deze locatie (figuur 1.2).

Het tuinbouwbedrijf is momenteel bestemd voor Agrarische doeleinden, met als subbestemming Sierteeltbedrijf (As). Op de verbeelding is aangegeven dat er binnen het bouwvlak 8.500 m2 aan kassen zijn toegestaan. Daarnaast is binnen het bouwvlak, dat aan weerszijden van de weg ligt, één bedrijfswoning toegestaan. Overige bedrijfsgebouwen zijn binnen het hele bouwvlak toegestaan. Het gehele plangebied is aangemerkt als archeologisch waardevol gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0002.png" Figuur. 1.2. - Geldende planologische situatie: uitsnede plankaart

1.4 Leeswijzer

Het vervolg van deze toelichting kent de volgende opbouw:

  • In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie.
  • Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op en getoetst aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
  • In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst.
  • Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan.
  • In hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het huidige perceel aan de Oudeweg West 5 heeft de bestemming Agrarische doeleinden met de nadere aanduiding Sierteeltbedrijf. Op dit perceel zijn glasopstanden aanwezig ter grootte van 8.500 m². Naast dit glas is er nog een strook grond ter grootte van circa 1 ha die verhard is en waarop ook tuinbouw plaatsvindt. Het meest noordoostelijke deel bestaat uit grasland. De huidige bedrijfswoning ligt aan de overzijde van de weg, omgeven door tuin en grasland. Ook ligt er aan die zijde van de weg een loods. De figuren 2.1 en 2.2 geven een impressie van de huidige situatie ter plekke.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0003.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0004.png"  

Figuur 2.1 - Impressie van de huidige situatie: de bedrijfswoning (l) en de glasopstanden (r).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0005.png"

Figuur 2.2 - Luchtfoto van het plangebied (Google Maps).

De planlocatie ligt centraal op Voorne-Putten, op 2 á 3 kilometer afstand van de kernen Zwartewaal, Hellevoetsluis, Vierpolders, Heenvliet en Abbenbroek. Landschappelijk gezien bevindt de planlocatie zich aan de rand van de Polder Heenvliet, één van de veenpolders in deze streek, die al in de 13e eeuw werd ingericht. Op korte afstand van de zuidoostelijke plangrens ligt het Kanaal door Voorne, dat aan het begin van de 19e eeuw werd gegraven en Voorne-Putten doorkruist. Het Kanaal door Voorne vormt de grens met de gemeente Nissewaard. Het tuinbedrijf sluit aan op het bebouwingscluster 2e Vlotburg, dat gevormd wordt door de lintbebouwing en (agrarische) bedrijfsfuncties langs de Rijswaardsedijk en Drieeëndijk.

2.2 Nieuwe situatie

Bedrijfsbeëindiging en sanering

De eigenaar van het tuinbouwbedrijf aan de Oudeweg West 5 te Zwartewaal is voornemens zijn bedrijfsvoering eind 2018 te beëindigen en de aanwezige glasopstanden te slopen. In totaal wordt er 8.500 m2 aan glasopstanden en 1 ha aan verharding gesaneerd (zie figuuur 2.4). De voormalige bedrijfswoning verliest logischerwijs z'n functie en zal worden omgezet naar een burgerwoning (figuur 2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0006.png"

Figuur 2.3 - Foto van de voormalige bedrijfswoning (Google Streetview).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0007.png"

Figuur 2.4 - Aanzicht van de te saneren opstallen en verharding (Google Streetview).

Twee nieuwe woningen

Het terrein aan de zuidoostzijde van de Oudeweg West is, na de sanering van verharding en kassen, niet langer bebouwd. Na bedrijfsbeëindiging bestaat de wens op deze grond, waarop sierteelt plaatsvond, twee woningen te bouwen. De bedoeling is om de meest noordelijke van de twee woningen zelf te gaan bewonen en de zuidelijke woning te verkopen. De huidige loods tegenover de voormalige bedrijfswoning is nog in goede staat en het voornemen is deze te laten staan ten behoeve van de zuidelijke woning. Bij de noordelijke woning bestaat het voornemen om een schuur te bouwen voor de stalling van materieel.

In de tijd dat de Ruimte voor Ruimteregeling nog bestond, kon voor het slopen van 5.000 m² glas één Ruimte voor Ruimtewoning teruggebouwd worden. In dit geval is geen sprake van 10.000 m² glas, maar van 8.500 m² te saneren glas en 1 ha te saneren verharding. Inmiddels bestaat de Ruimte voor Ruimteregelingniet meer, maar de Provincie heeft in de Verordening Ruimte opgenomen dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (zie paragraaf 3.2). In paragraaf 2.3 wordt uiteengezet op welke wijze deze ontwikkeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering met zich meebrengt.

Situering en bouwmogelijkheden

De twee nieuwe woningen worden aan de Oudeweg West gesitueerd. Zie figuur 2.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0008.png"

Figuur 2.5 - situering van de nieuwe bestemmingsvlakken

Voor de oppervlakte van de woning, inclusief bijgebouwen (gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen), wordt aangesloten bij het uitgangspunt van het omgevingsplan, namelijk maximaal 200 m². Dit komt ongeveer overeen met een totale inhoud van 1400 m³ voor alle gebouwen, en is daarmee vergelijkbaar met de maatvoeringen zoals die doorgaans worden aangehouden bij de Ruimte voor Ruimtewoningen. Ook hier betreft het grote percelen met een ruime woning met bijbehorende bijgebouwen. De beoogde schuur bij de noordelijke woning wordt niet rechtstreeks mogelijk gemaakt, maar is te realiseren via de vergunningsvrije bouwmogelijkheden of met behulp van de kruimelregeling.

Landschappelijke inpassing en herinrichting

De strook grond van 1 ha, die direct naast de Kanaaldijk ligt, zal groen worden ingericht en sluit aan op naastgelegen gronden langs het Kanaal door Voorne, die al als groen zijn ingericht en als Natuur zijn bestemd. De overige gronden worden ingericht als grasland en krijgen een agrarische bestemming.

2.3 Ruimtelijke kwaliteitsverbetering

De ontwikkeling houdt de beëindiging van een tuinbedrijf in, waarbij de 8.500 m2 aan glasopstanden en ruim 1 ha aan verharding worden gesaneerd. De sanering van verspreid liggend glas sluit aan op de doelen die in de Omgevingsvisie landelijk gebied zijn gesteld voor het agrarische gebied met landschaps- en natuurwaarden (in het omgevingsplan komt deze zone overeen met het deelgebied veenpolders), waaronder het behoud en de versterking van openheid, het stimuleren van natuurwaarden én weidebouw als voorkeursgrondgebruik. De aard van de functiewijziging is dus een eerste impuls voor de ruimtelijke kwaliteit.

De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt temeer tot stand doordat het bebouwde oppervlak als gevolg van deze ontwikkeling fors afneemt. Per saldo verdwijnt er 8.500 m2 aan bebouwing. Daarnaast verdwijnt er 10.000 m2 aan verharding. Hiervoor komt slechts een beperkte hoeveelheid verharding rondom de woonkavels terug (denk aan inritten en terrassen). Door de afname in bebouwd en verhard oppervlak neemt de landschappelijke verrommeling af en de openheid ter plaatse toe.

Tot slot wordt de helft van het zuidoostelijke perceel, dat tussen de Oudeweg West en de Kanaaldijk in ligt, heringericht als groenstrook. Deze strook krijgt een natuurbestemming en sluit aan op de bestaande als Natuur ingerichte en bestemde strook grond langs de Kanaaldijk. Ook deze herinrichting sluit aan op de gewenste kwaliteit voor dit gebied, zoals verwoord in de Omgevingsvisie, en draagt bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Voor het plangebied is een inrichtingsschets gemaakt, die invulling geeft aan het streven naar kwaliteitsverbetering. De inrichtingsschets geeft een analyse van het plangebied weer, met een daarop gebaseerde inrichtingsschets. Daarnaast worden enkele voorwaarden opgenomen waar de kwaliteitsverbetering in ieder geval aan moet voldoen (Bindend landschappelijke inpassing). Tegelijkertijd worden enkele goede voorbeelden van landschappelijke inpassing ter inspiratie aangereikt. Hiermee biedt de inrichtingsschets voldoende keuzevrijheid voor de toekomstige bewoners en worden er tegelijkertijd randvoorwaarden gesteld. Deze zijn vertaald in voorwaardestellende bepalingen in de regels. De inrichtingsschets is opgenomen in bijlage 1 van de regels.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn:

1. Rijksvaarwegen;

2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;

3. Kustfundament;

4. Grote rivieren;

5. Waddenzee en waddengebied;

6. Defensie;

7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;

8. Elektriciteitsvoorziening;

9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur);

11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);

13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;

14. Ruimtereservering parallele Kaagbaan.

De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

Toepassing en conclusie

Het toevoegen van twee woningen in het plangebied aan de Oudeweg West betreft geen 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Uit jurisprudentie volgt dat woningbouwlocaties met minder dan 12 nieuwe woningen niet als stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt en dus niet 'ladderplichtig' zijn (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Visie ruimte en mobiliteit

Het relevante provinciale beleid is vastgelegd in de visie Ruimte en Mobiliteit (VRM, juli 2014). Bij deze structuurvisie hoort een programma Ruimte (juli 2014). Beide zijn in 2016 geactualiseerd. In de VRM wordt geen ruimtelijk eindbeeld geschetst, maar geeft een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. Hierbij zijn vier richtinggevende rode draden bepaald:

  • beter benutten en opwaarderen wat er is
  • het vergroten van de agglomeratiekracht
  • het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit
  • het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Ruimtelijk kwaliteitsbeleid

Voor de ontwikkeling aan de Oudeweg West is met name de rode draad omtrent ruimtelijke kwaliteit relevant. Het kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland is ingestoken als 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten met richtpunten en de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen zijn in samenhang met de decentrale overheden opgesteld.

Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is met name de ruimtelijke impact op de gebiedsidentiteit en de bestaande structuur, zoals uiteengezet in het gebiedsprofiel, van belang. Daarvoor wordt in de VRM onderscheid gemaakt in drie types ontwikkelingen: inpassen, aanpassen en transformeren (zie figuur 3.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0009.png"

Figuur 3.1 - Typologie van ontwikkelingen in de VRM (bron: VRM)

Gebiedsidentiteit en bestaande structuur

In figuur 3.2 is een uitsnede opgenomen van de provinciale kwaliteitskaart rondom het plangebied. De planlocatie ligt in Polder Heenvliet, één van de veenpolders c.q. zeekleipolders met veenkernen op Voorne-Putten. In het Gebiedsprofiel Voorne-Putten worden de veenpolders omschreven als polders die zich kenmerken '...door een onregelmatig verkavelingspatroon. De kleine poldereenheden en beplante dijken zorgen voor een kleinschalig karakter. De veenpolders liggen wat lager dan het omringende land en zijn natter en minder draagkrachtig dan de zeekleipolders.'

In het Gebiedsprofiel worden de volgende ambities worden voor dit gebied opgesomd:

  • Herkenbaar houden van het verschil tussen de veenpolders en de zeekleipolders door versterken van de beplanting van de dijken van de veenpolders.
  • Ontwikkelingen houden rekening met de minder draagkrachtige bodem van de veenpolders.
  • Herkenbaar houden van de onregelmatige patronen in het landschap die duiden op voormalige kreekruggen en getijde-oeverwallen (inversielandschap).
  • Kleinschalige ontwikkelingen passen goed bij het karakter van de polders.

De kwaliteitskaart geeft daarnaast een aantal richtpunten mee voor ontwikkelingen in het zeekleipolderlandschap in het algemeen en de polders met een veenkern in het bijzonder:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen.
  • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.
  • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder.
  • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap.
  • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.
  • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan het herkenbaar houden van het kleinschalige dijkenpatroon en de relatief onregelmatige verkaveling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0010.png" Figuur 3.2 - Uitsnede van de provinciale kwaliteitskaart

Toepassing 

De aard en schaal van de ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 is zodanig dat van aantasting van de gebiedsidentiteit geen sprake is. Wel vindt er op structuurniveau een wijziging plaats, omdat er een glastuinbouwbedrijf wordt beëindigd en daarvoor in de plaats twee nieuwe woningen worden gerealiseerd. Dit is één meer dan er op grond van de voormalige Ruimte voor Ruimteregeling zouden mogen worden teruggebouwd. De ontwikkeling aan de Oudeweg West wordt daarom aangemerkt als een aanpassing. In de toetsing aan de Verordening ruimte (paragraaf 3.2.2) wordt beoordeeld of aan de voorwaarden die gelden voor een aanpassing wordt voldaan.

Conclusie

De ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 betreft een aanpassing en past in het beleid dat in de VRM, het Gebiedsprofiel en de Kwaliteitskaart is uiteengezet. Het betreft een ontwikkeling die past binnen de gebiedsidentiteit en de hierboven geformuleerde richtpunten en ambities.

De ontwikkeling past binnen de ambities uit het gebiedsprofiel en de richtpunten uit de kwaliteitskaart zijn opgesomd. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling die de structuurdragers als dijken, kreek(ruggen), oeverwallen en verkavelingspatronen niet aantast. De afname van het bebouwd oppervlakte als gevolg van het saneren van de glasopstanden draagt juist bij aan de openheid en herkenbaarheid van dit deel van Polder Heenvliet. Daarbij komt dat de nieuwe woningen zich concentreren in of bij compacte kernen en niet in het open middengebied van de polders, zoals één van de richtpunten voorschrijft.

Conclusie

De ruimtelijke ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 betreft een aanpassing. De ontwikkeling wordt zorgvuldig in de omgeving ingepast, rekening houdend met de richtpunten op de provinciale kwaliteitskaart. Omdat de ruimtelijke kwaliteit per saldo niet afneemt, en op het erf sterk verbeterd, zijn geen aanvullende maatregelen nodig en wordt voldaan aan het beleid uit de PRS. De landschappelijke inpassing zal in de regels van het bestemmingsplan worden geborgd met een voorwaardelijke verplichting.

3.2.2 Verordening Ruimte

Naast de structuurvisie heeft de provincie de verordening Ruimte vastgesteld (juli 2014). Ook de verordening is in 2016 herijkt. In de provinciale verordening staan de algemeen verbindende regels waaraan een gemeentelijk bestemmingsplan of besluit moet voldoen.

Toepassing en conclusie

De verordening bevat enkele regels die relevant zijn voor dit bestemmingsplan. Ze zijn samengevat en worden getoetst in tabel 3.1. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 past binnen de randvoorwaarden die in de Verordening ruimte worden gesteld.

Tabel 3.1 - Relevante bepalingen en toetsing daaraan uit de Verordening ruimte.

Bepaling   Toetsing  
Art. 2.1.1 - Ladder voor duurzame verstedelijking
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voldoen aan de eisen die de ladder stelt.  
De ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 betreft geen stedelijke ontwikkeling. Deze regel is daarom niet van toepassing (zie paragraaf 3.1.2).  
Art. 2.2.1 - Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1 - Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de voorwaarden die gelden voor aanpassen:

'als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
- zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid'


















 


Hierboven, bij de toetsing aan de VRM, is onderbouwd dat er sprake is van een aanpassing, omdat de ontwikkeling past binnen de gebiedsidentiteit, maar op structuurniveau een beperkte wijziging inhoudt.

De ontwikkeling past binnen de ambities uit het gebiedsprofiel en de richtpunten uit de kwaliteitskaart zijn opgesomd. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling die de structuurdragers als dijken, kreek(ruggen), oeverwallen en verkavelingspatronen niet aantast. De afname van het bebouwd oppervlakte als gevolg van het saneren van de glasopstanden draagt juist bij aan de openheid en herkenbaarheid van dit deel van Polder Heenvliet. Daarbij komt dat de nieuwe woningen zich concentreren in of bij compacte kernen en niet in het open middengebied van de polders, zoals één van de richtpunten voorschrijft.

Daarnaast draagt deze ontwikkeling per saldo bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, gelet op onder meer de forse afname van het bebouwde en verharde oppervlak (sanering van verspreid liggend glas) en de aanleg van een groene strook langs de Kanaaldijk (zie ook paragraaf 2.3).

Omdat er sprake is van een zorgvuldige inbedding in de omgeving en de herinrichting zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, wordt aan de voorwaarde voldaan dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. De inrichtingsschets in bijlage 1 van de toelichting geeft daar nadere invulling aan. Het treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen is niet aan de orde.  
Lid 2 - Wanneer er een beschermingscategorie geldt, gelden aanvullende voorwaarden:

'Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 (...) kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.'  
Het plangebied valt binnen beschermingscategorie 2 (zie figuur 3.3). Binnen deze beschermingscategorie zijn ontwikkelingen van het kaliber 'transformeren' niet of nauwelijks toegestaan. Omdat het hier om 'aanpassen' gaat, kan de ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 doorgang vinden.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0011.png"

Figuur 3.3 - Ligging zone beschermingscategorie 2 t.o.v. het plangebied.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Landelijk gebied Brielle (2016)

In de omgevingsvisie voor het landelijk gebied Brielle, vastgesteld op 5 juli 2016, worden een aantal gemeentelijke kernkwaliteiten genoemd: de verscheidenheid, openheid en leesbaarheid van het landschap, het goede woon- en werkklimaat, het uitstekende productielandschap voor de land- en tuinbouw, de recreatieve potentie van het landelijk gebied en de natuurgebieden en de kreken. Vanuit deze kernkwaliteiten, waaraan Brielle haar identiteit ontleend, zijn een aantal opgaves geformuleerd. Het gaat onder meer om het verbeteren van de kwaliteit van de ruimte, verkeerskwesties, een kwaliteitsimpuls van de landelijke recreatiemogelijkheden en opgaves omtrent de schaalvergroting en bedrijfsbeëndiging in de landbouw.

In samenhang met de kernkwaliteiten en opgaves zijn er visies en doelen geformuleerd voor de verschillende deelgebieden in de gemeente Brielle. De deelgebieden zijn: het agrarisch gebied, het agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden, de agrarische glastuinbouwgebieden, de natuurgebieden, het Brielse meer en omgeving, de Schootsvelden en de N57. Deze gebiedsspecifieke doelen zijn in dit omgevingsplan verwerkt in de koers en kwaliteiten per deelgebied. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden op deze wijze getoetst aan de doelen die in de omgevingsvisie zijn opgenomen.

Het plangebied aan de Oudeweg West 5 ligt in het agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (figuur 3.4). In vergelijking met het agrarische gebied kenmerkt het zich door een lagere bebouwingsgraad en voornamelijk weidebouw als grondgebruik. De openheid van het landschap manifesteert zich hier nog meer dan in het agrarisch gebied. Ook hier is de ontstaansgeschiedenis goed afleesbaar uit het landschap: de grenzen van de oude veenontginningen zijn door de dijken en dijklinten duidelijk gemarkeerd.

Wat wil de gemeente in dit gebied bereiken:

  • Behoud van het open landschap en de cultuurhistorische kenmerken van het gebied;
  • Behoud van een duurzame landbouw;
  • Stimuleren van recreatief medegebruik;
  • Stimuleren van natuurwaarden die gebonden zijn aan het agrarisch grondgebruik.

Hoe willen de gemeente dat bereiken:

  • Weidebouw bevordert de openheid van het landschap en heeft de voorkeur voor het grondgebruik;
  • Verbrede landbouw kan een bijdrage leveren aan zowel het voortbestaan van de landbouw als het recreatief medegebruik van het gebied;
  • Door het stimuleren van agrarisch natuurbeheer, kunnen natuurkwaliteiten worden verbeterd die gebonden zijn aan agrarisch grondgebruik;
  • Een goede mogelijkheid om natuurwaarden te stimuleren die gebonden zijn aan agrarisch grondgebruik is agrarisch natuurbeheer/weidevogelbeheer

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0012.png"

Figuur 3.4 - Ligging van het plangebied in de deelgebiedenkaart van de Omgevingsvisie uit 2016.

Toepassing en conclusie

Met deze ontwikkeling worden de natuurwaarden (inrichting strook groen langs de Kanaaldijk) en de openheid (afname bebouwd oppervlak) versterkt. Dit is in lijn met de doelstellingen uit de Omgevingsvisie. Hetzelfde geldt voor het feit dat verspreid liggend glas wordt gesaneerd. Deels komt hier grasland c.q. weidebouw voor in de plaats. De ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 past, al met al, binnen de doelstellingen die in de omgevingsvisie worden geformuleerd.

3.3.2 Omgevingsplan Buitengebied Brielle / Westvoorne (in voorbereiding)

Eind 2016 is gestart met de opstelling van de omgevingsplannen Buitengebied Brielle en Buitengebied Westvoorne. De omgevingsplannen vervangen in principe alle geldende ruimtelijke plannen voor de landelijke gebieden van Brielle en Westvoorne. Net als bij de omgevingsvisies van beide gemeenten, willen wij met de omgevingsplannen al vooruit lopen op de komst van de Omgevingswet. Deze wet wil meer ruimte voor ontwikkeling bieden, minder en eenvoudigere procedures, waarbij wij wel oog houden voor de kwaliteiten van ons mooie buitengebied. De juridische basis hiervoor ligt in de opname van de buitengebieden van onze gemeenten in het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet (14e tranche). Voor de opstelling van de plannen is ook een Nota van Uitgangspunten vastgesteld door de beide gemeenteraden. Op 5 oktober is het omgevingsplan als voorontwerp ter inzage gelegd.

In het omgevingsplan is het buitengebied ingedeeld in verschillende landschappelijke deelgebieden of zones. De planlocatie Oudeweg West 5 ligt in de Veenpolders. Nieuwe activiteiten c.q. ontwikkelingen zijn hier toegestaan als die een bijdrage leveren aan of in ieder geval geen afbreuk doen aan de Koers van de Veenpolders, zoals hieronder omschreven (art. 68).

Koers van de zone Veenpolders

In de veenpolders wordt ingezet op het behouden en waar mogelijk versterken van het relatief kleinschalige landelijke karakter met grondgebonden agrarische bedrijven (glastuinbouw uitgezonderd) als landschappelijke en functionele drager.

De zone biedt ruimte om deze bestaande agrarische bedrijven te laten groeien, voor zover dit noodzakelijk is gelet op de bedrijfsvoering en met aandacht voor de landschappelijke kwaliteit en inpassing. Grootschalige uitbreiding van agrarische bedrijven is in deze zone niet toegestaan, daarvoor is ruimte in de zone Jonge Zeekleipolders.

De slingerende dijken door het gebied behouden hun cultuurhistorische, recreatieve en ecologische waarde en zijn tevens het kralensnoer waar bebouwing langs gesitueerd is. Zo blijft het open landschap tussen dijkstructuren optimaal behouden. De veenpolders hebben daarnaast belangrijke natuurlijke waarden, onder andere in de vorm van weidevogelgebied.

Voor ontwikkelingen op recreatief vlak is er ruimte. Gezien het karakter van de zone liggen kleinschalige voorzieningen in de vorm van combinatiegebruik bij bestaande functies het meest voor de hand, al zijn nieuwe, zelfstandige recreatieve functies niet uitgesloten. In beide gevallen dient de omvang en uitstraling van de recreatieve voorziening passend te zijn in de kwaliteit van de zone, dient de agrarische sector niet belemmerd te worden en mogen natuurwaarden niet worden aangetast.

Nieuwe stedelijke functies kunnen - afhankelijk van de specifieke functie en uitstraling - een risico vormen voor de ruimtelijke en functionele kwaliteiten van het buitengebied. Deze worden daarom in beperkte mate en uiterst zorgvuldig toegestaan. Het credo is hierbij is dat in ieder geval de behoefte aangetoond moet worden, samen met de noodzaak om dit juist in deze zone te doen. Indien dat aangetoond kan worden, dient er bovendien sprake te zijn van netto kwaliteitsverbetering. Bijvoorbeeld door sloop van (in onbruik geraakte) bebouwing of verharding of via een andere kwaliteitsimpuls. Tot slot geldt dat deze functies geen belemmering mogen vormen voor de agrarische bedrijvigheid in het gebied.  

Daarnaast gaan voor nieuwe activiteiten onder meer de volgende regels gelden (art. 72):

  • Dialoog met de omgeving: door de initiatiefnemer wordt een dialoog gevoerd met de omwonenden en belanghebbenden. De dialoog is gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en belanghebbenden bij de verandering van de activiteit. Het bevoegd gezag weegt in haar besluit over de aanvraag mee of de dialoog voldoende zorgvuldig is gevoegd, waarbij de volgende vragen een rol spelen:
    • 1. zijn omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over de plannen?
    • 2. heeft de initiatiefnemer kennis genomen van de bevindingen van omwonenden en belanghebbenden?
    • 3. op welke wijze heeft initiatiefnemer rekening gehouden met de bevindingen van omwonenden en belanghebbenden?
    • 4. bij de aanvraag dient een verslag toegevoegd te zijn waarin wordt ingegaan op bovenstaande vragen.
  • Inpassing: nieuwe activiteiten worden naar het oordeel van de gemeente in voldoende mate ingepast op basis van de kwalitatieve aanbevelingen uit het Handboek Kwaliteitsverbetering.
  • Nieuwe stedelijke functie: een aanvraag die betrekking heeft op een nieuwe stedelijke functie dient te zijn voorzien van een afdoende onderbouwing waaruit de behoefte aan die functie blijkt en, indien sprake is van een ligging buiten het bestaand stedelijk gebied, waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  • Nieuwe woning: Uitbreiding van het aantal woningen is daarnaast uitsluitend mogelijk met toepassing van de delegatiebevoegdheid. Zonder toepassing hiervan, is het uitbreiden van het aantal woningen niet toegestaan. Daarbij geldt de voorwaarde dat het aantal woningen dat per saldo wordt toegevoegd onderbouwd is op basis van de regionale woningbouwafspraken.

In het principebesluit, waarin het college heeft aangegeven mee te willen werken aan deze ontwikkeling, is aangegeven dat voor de ruimtelijke uitgangspunten moet worden aangesloten bij het omgevingsplan. Vandaar dat in deze paragraaf aan het omgevingsplan, dat weliswaar nog in voorbereiding is, wordt getoetst.

Toepassing en conclusie

In de Koers van de zone Veenpolders is opgenomen dat nieuwe stedelijke functies mogelijk zijn, mits ze geen afbreuk doen aan de natuur- en landschapswaarden van de Veenpolders en er bovendien sprake is van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Bij dat laatste kan gedacht worden aan de sanering van bebouwing, oppervlakten aan verharding weg te nemen of natuur- en landschapselementen te herstellen of toe te voegen. In het geval van deze ontwikkeling wordt er per saldo zowel verharding als bebouwing weggenomen. Ook wordt een strook grond langs de Kanaaldijk groen en natuurlijk ingericht. Deze strook is nu verhardt en in gebruik ten behoeve van het tuinbouwbedrijf. Hiermee wordt ter plaatse een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit tot stand gebracht.

Ook voor de andere regels die aan nieuwe activiteiten worden gesteld, wordt in het geval van de ontwikkeling aan de Oudeweg West 5 voldaan:

  • Dialoog met de omgeving: Initiatiefnemer heeft met alle bewoners in de omgeving overleg gevoerd. De omgeving is unaniem in haar oordeel dat de beoogde ontwikkeling een verbetering van de fysieke leefomgeving inhoudt. Het voorgenomen plan behoefde daarom geen aanpassing.
  • Inpassing: Als bijlage in deze toelichting is een inrichtingsschets gevoegd, die invulling geeft aan de ruimtelijke kwaliteitsverbetering die hiermee gepaard gaat.
  • Nieuwe stedelijke functie: in paragraaf 3.1.2 is uiteengezet dat deze ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is waarvoor aan de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden doorlopen.
  • Nieuwe woning: in 2014 hebben de colleges van de gemeenten Bernisse, Brielle, Hellevoetsluis, Rotterdam (namens de deelgemeente Rozenburg), Spijkenisse en Westvoorne de woningmarktafspraken Voorne-Putten/Rozenburg vastgesteld. In deze afspraken is in algemene zin een reservering van woningaantallen opgenomen voor de sanering van glas, waar de beoogde woningen onder geschaard kunnen worden. Hiermee voldoet dit bestemmingsplan aan de voorwaarde van regionale afstemming van woningbouwplannen.
  • Overige ruimtelijke uitgangspunten: voor de oppervlakte van de woning inclusief bijgebouwen (gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen) wordt aangesloten bij het uitgangspunt van het omgevingsplan, nl. maximaal 200 m². Dit komt ongeveer overeen met een totale inhoud van 1350 m³ voor alle gebouwen. Deze inhoudsmaat is vergelijkbaar met de maatvoering zoals die nu wordt aangehouden bij de Ruimte voor Ruimtewoningen die momenteel gebouwd worden. Ook hier betreft het grote percelen met een ruime woning met bijbehorende bijgebouwen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 2 woningen en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.2 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek en conclusie

Voor de locaties waar gebouwd gaat worden (de 2 bouwvlakken voor de nieuw te bouwen woningen) is bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). De resultaten van het verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Geconcludeerd wordt dat bodemkwaliteit ter plaatse van de bouwkavels geen belemmering zijn voor de voorgenomen bouwplannen.

4.3 Water

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Toetsingskader

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europees:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:

  • Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename;
  • Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;
  • Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

Onderzoek

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied betreft Oudeweg West 5 in Zwartewaal. De huidige plangebied is grotendeels verhard (kassen en verharding). De bodem bestaat uit zavel en lichte klei met homogeen profiel. Ter plaatse is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 meter en 0,8 meter beneden het maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 meter beneden het maaiveld ligt.

Waterkwantiteit

Het plangebied wordt begrensd door deels 'overige wateren' of wegsloten. Ten zuidoosten is een dijksloot gelegen. De weg- en dijksloten hebben een beschermingszone van 5 meter. Daarnaast is ten zuidoosten een boezemwatergang gelegen met een beschermingszone van 5 meter. Daarnaast is ook aan de noordzijde van het plangebied een 'overige watergang' gelegen. Deze watergangen hebben een beschermingszone van 2 meter. Binnen deze beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden. Aan de westzijde van het plangebied is ook een hoofdwatergang gelegen met een beschermingszone van 5 meter. Het plangebied ligt buiten deze beschermingszone(s).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0013.png"

Figuur 4.1 - Ligging watergangen in en nabij plangebied. Bron: Legger waterschap Hollandsche Delta

Veiligheid en waterkeringen

Ten zuidoosten van het plangebied is een beschermingszone gelegen van een waterkering. Het plangebied ligt hier deels in. Binnen deze zone wordt niet gebouwd waardoor er geen belemmeringen zijn. De beschermingszone dient wel opgenomen te worden op de plankaart.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is deels aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van een tuinbouwbedrijf en het bouwen van 2 nieuwe woningen.

Waterkwantiteit

Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden. De herinrichting van het bestaande terrein zal niet leiden tot toename van verharding. In dit geval is er sprake van een afname van verharding. Door de sanering wordt 8500 m² glas en 1 ha aan verharding gesaneerd. Hierdoor is geen watercompensatie noodzakelijk.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Indien er bestaande watergangen worden gedempt of als er werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone van watergangen of waterkeringen is een vergunning op basis van de keur noodzakelijk.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies , wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling voorziet in de wijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de oprichting van 2 nieuwe (burger) woningen. Het aanwezige tuinbouwbedrijf wordt gesaneerd. In de directe omgeving zijn voornamelijk agrarische gronden, burgerwoningen en hier en wat kleine bedrijvigheid gelegen waardoor het gebied kan worden gezien als rustig buitengebied. Aan de Rijswaardsedijk is lintbebouwing aanwezig bestaande uit burgerwoningen met ter plaatse van de Rijswaardsedijk 16 een reparatie- en servicebedrijf. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is hier overigens een aannemersbedrijf toegestaan (b.o. <1.000 m2). Beide bedrijven zijn op basis van de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Ter plaatse van de Kanaaldijk West 13, ten zuidwesten van het plangebied, zijn bedrijven toegestaan tot milieucategorie 3 met een maximale richtafstand van 100 meter. De afstand tot dit bedrijf is meer dan 200 meter. Ter plaatse van de Drieëndijk 29 is een tuinbouwbedrijf met caravanstalling gevestigd. De richtafstand voor tuinbouwbedrijven (bedrijfsgebouwen en kassen) is 30 meter. De VNG uitgave kent geen specifieke omschrijving voor een caravanstalling. Een dergelijke stalling kan worden vergeleken met de categorie 'opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) milieucategorie 2' met een richtafstand van 30 meter in rustig buitengebied. De beoogde ontwikkeling ligt op ligt op meer dan 100 meter afstand van het bedrijf aan de Drieëndijk 29.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie.

4.5 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor.

Onderzoek en conclusie

Voor het plangebied is geluidsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2).

Voor de nieuw te bouwen woning 1 (toetspunten 1 t/m 4, zuidwestelijk gelegen) wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Oudeweg West, de Rijswaardsedijk en de N494.

 

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de nieuw te bouwen woning 2 (toetspunten 5 t/m 8, noordoostelijk gelegen) alleen overschreden ten gevolge van de N494. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voor deze woning is een hogere waarde van 52 dB benodigd.

4.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 2.1 weergegeven.

Tabel 2.1 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 2 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Rijswaardsedijk, ten zuidoosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De hoogste concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2016; 21,9 µg/m³ voor NO2, 17,3 µg/m³ voor PM10 en 9,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.

Conclusie

Ter plaatste van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Archeologie

Toetsingskader

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Gemeentelijk beleid

Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Het archeologisch beleid van de gemeente Brielle is vastgelegd in het Beleidsplan Brielle Archeologie, 'Koers vastgelegd' uit 2009. Bij dit beleidsplan horen onder meer een Beleidskaart en een Verwachtings- en waardenkaart.

Onderzoek en conclusie

Op de gemeentelijke beleidskaart valt af te lezen dat archeologisch onderzoek in het plangebied noodzakelijk is bij ingrepen dieper dan 50 cm en groter dan 250 m2 (Waarde - archeologie 4, zie figuur 4.2). Omdat deze drempels met deze ontwikkeling worden overschreden, is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Omdat al eerder archeologisch onderzoek was uitgevoerd voor een deel van het plangebied, heeft het onderzoek betrekking op die delen die nog niet onderzocht waren.

Door RAAP is archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Op basis van dit onderzoek wordt voor de voorgenomen bodemingreep geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Het onderzoek van RAAP is op verzoek van de gemeente beoordeeld door bureau The Missing Link (zie bijlage 5). The Missing Link adviseert het rapport van RAAP goed te keuren en het advies over te nemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0014.png"

Figuur 4.2 - Archeologische Beleidskaart Brielle, waarop het plangebied is aangeduid met de oranje cirkel.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de boogde ontwikkeling.

4.8 Ecologie

Toetsingskader

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.3). Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het Haringvliet, ligt op een afstand van circa 4,3 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 120 meter (zie figuur 4.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.OudewegWest-0120_0015.png"

Figuur 4.3. Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde gebieden. Bron: provincie Zuid-Holland

Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Vanwege de geringe verkeersgeneratie en ruime afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het Haringvliet, genereert de beoogde ontwikkeling qua stikstofdepositie eveneens geen problemen. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en typen uit Natura 2000-gebieden. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plant niet in de weg.

Soortenbescherming

Om zicht te krijgen op soortenbescherming in het plangebied is een ecologische quick scan uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3.

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de boogde ontwikkeling, mits met de volgende zaken rekening wordt gehouden:

Broedvogels algemeen

Verricht werkzaamheden buiten de broedperiode (15 februari t/m 1 oktober);

Vogels als witte kwikstaart

Voorkom vestiging van deze soorten door in de broedperiode (globaal van 1 maart t/m 31 augustus)

bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het projectgebied.

Weidevogels

Verricht werkzaamheden die harde geluiden en/of trillingen veroorzaken buiten de broedperiode (1 februari t/m1 augustus).

4.9 Kabels en leidingen

Beleid en normstelling

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke

beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten

worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Onderzoek en conclusies

Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen van nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.10 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

Onderzoek

Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, is circa 280 meter ten zuidwesten van het plangebied een propaantank gelegen. De installatie heeft een PR 10-6 contour van 15 meter. Het plangebied ligt daar ruimschoots buiten. De propaantank heeft geen invloedsgebied van het groepsrisico. In de directe omgeving vindt daarnaast geen vervoer van gevaarlijke van gevaarlijke stoffen plaats over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

Ontsluiting en verkeersafwikkeling

Het plangebied wordt ontsloten op de Oudeweg West, gelegen in het dorpsgebied van de nabijgelegen kern Zwartewaal. De Oudeweg West is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 60 km/u. De Oudeweg West verbindt de Rijswaardsedijk met de N494. Op een hoger schaalniveau is vervolgens ontsluiting op de N57 en N218 mogelijk. De ontsluiting in verdere richtingen is hiermee in voldoende mate gewaarborgd.

De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van twee nieuwe woningen. Een berekening van de verkeersgeneratie is gemaakt aan de hand van kencijfers uit publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW, 2012). De gemeente Brielle is gecategoriseerd als een 'weinig stedelijke gemeente'. Conform de ligging van de locatie is uitgegaan van gebiedstype 'buitengebied'. Op basis van het autobezit in de gemeente worden de gemiddelde kencijfers aangehouden. De verkeersgeneratie bij een vrijstaande koopwoning is 8,2 mvt/etmaal weekdag. Op basis van twee nieuwe woningen bedraagt de extra verkeersgeneratie door deze ontwikkeling 16,4 mvt/etmaal weekdag. Het omrekenen naar een maatgevende werkdag (drukste dag) geschiedt op basis van een omrekenfactor van 1,11. Dit leidt tot een verkeersgeneratie op een maatgevende werkdag van afgerond 18 mvt/etmaal. Gezien de geringe omvang van de extra verkeersgeneratie door deze ontwikkeling, zal de ontwikkeling niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling.

Parkeren

Op basis van de bovenstaande karakterisering van het gebied (weinig stedelijke gemeente, buitengebied) hanteert het CROW een gemiddeld parkeercijfer van 2,4 per woning als uitgangspunt. In het uiterste geval is er op basis van de CROW-cijfers sprake van een totale parkeerbehoefte van - afgerond naar boven - 6 parkeerplaatsen. Er is op eigen terrein ruimschoots voldoende ruimte aanwezig om in deze behoefte te voorzien.

Conclusie

De ontsluiting van het projectgebied is goed. De ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en er kan op eigen terrein in de parkeerbehoefte worden voorzien. De aspecten verkeer en parkeren staan de nieuwe ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties zijn afzonderlijke bestemmingsregelingen opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord. Op welke wijze een en ander in de bestemmingsregeling concreet verwerkt is wordt hierna beschreven.

Conform de wettelijke verplichting is gebruikgemaakt van de SVBP2012 voor de planregels en de verbeelding.

5.2 Inleidende regels

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

5.3 Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

De gronden die voorheen waren bestemd voor Agrarische doeleinden, al dan niet met bouwvlak en/of de subbestemming Sierteeltbedrijf, zijn bestemd als Agrarisch (Aw) zonder bouwvlak. Alleen het kavel van de voormalige bedrijfswoning, de twee nieuwe woonkavels en de strook groen langs de Kanaaldijk zijn hiervan uitgezonderd en hebben een andere bestemming.

De gronden met de bestemming Agrarisch zijn bestemd voor de uitoefening van grondgebonden veehouderijbedrijven en akker- en vollegrondstuinbouwbedrijven. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor de teelt van ruwvoedergewassen, kleinschalige natuurontwikkeling en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen. Bouwregels zijn niet van toepassing, omdat binnen het plangebied geen bouwvlakken voor agrarische bedrijven voor komen. Dat betekent dat er evenmin regelingen voor neven- of vervolgfuncties bij agrarische bedrijven hoeven worden opgenomen. Uitzondering hierop zijn terreinafscheidingen, die tot een hoogte van 2 meter buiten bouwvlakken mogen worden gebouwd. Voor het aanbrengen van opgaande beplantingen (met uitzondering van erfbeplantingen) is een aanlegvergunning noodzakelijk.

Natuur

De strook grond van 1 hectare, direct langs de Kanaaldijk, is bestemd als Natuur en wordt groen ingericht. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, de versterking en de ontwikkeling van de aan de gronden eigen zijnde natuurwaarden. Er mogen binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Wonen

De twee nieuwe woonkavels én het perceel waarop de voormalig bedrijfswoning staat, zijn bestemd als Wonen. Naast het hoofdgebruik is ook beroep-aan-huis toegestaan. Per woning is een maximale oppervlaktemaat van 200 m2 opgenomen, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen. De maximale goothoogte bedraagt 4,5 m, de maximale bouwhoogte 10 m. Hiermee wordt aangesloten bij de maatvoeringen die in het concept-omgevingsplan worden gehanteerd (zie paragraaf 3.3.2). Er is onderscheid gemaakt tussen een bouw- en bestemmingsvlak. Het hoofdgebouw moet binnen het bouwvlak gesitueerd worden, om voldoende afstand tot de weg en omliggende functies te garanderen. Buiten het bouwvlak mogen wel bijgebouwen worden gebouwd, voor zover daarin geen milieugevoelige functies voorkomen.

5.4 Algemene regels

In de algemene regels zijn aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels, wijzigingsregels en afwijkingsregels.

5.5 Overgangs- en slotregels

In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen.

De gemeente Brielle heeft een anterieure overeenkomst gesloten met de eigenaar waarin het kostenverhaal is geregeld. Om die reden wordt afgezien van een exploitatieplan. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het bestemmingsplan Oudeweg West 5, Zwartewaal wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. Van drie instanties zijn reacties ontvangen, te weten van de Veiligheidsregio Rijnmond, Het Waterschap Hollandse Delta en van de Gasunie. Geen van de reacties gaf aanleiding het voorontwerpbestemmingsplan aan te passen.

De volledige reacties zijn in bijlage 6 opgenomen.

Zienswijzen

In het kader van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (zienswijzenprocedure) wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. De resultaten van de zienswijzenfase worden te zijner tijd in deze paragraaf verwerkt.