direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 5
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Voor het te ontwikkelen gebied, een voormalige schoolgebouw met bijbehorende terreinen aan de Brigittenweg te Brielle, is in 2016 het bestemmingsplan 'Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 2 t/m 5' vastgesteld. In dit bestemmingsplan wordt een woonzorgcomplex mogelijk gemaakt. Dit woonzorgcomplex bevat 10 inleunappartementen voor mensen met een zorgbehoefte en 68 zorgkamers voor zowel geriatrische als somatische patiënten en bijbehorende voorzieningen.

In verband met gewijzigde inzichten voor wat betreft het woningprogramma is het (bouw)plan voor fase 5 aangepast. Hierdoor wordt niet meer voldaan aan het gestelde in het vigerende bestemmingsplan en is een nieuw planologisch kader noodzakelijk. De Catharina Stichting wil een woonzorgcomplex, bestaande uit maximaal 44 woningen voor ouderen en 28 intramurale pg-woningen/eenheden (bewoners met zowel geriatrische als somatische zorgbehoefte) met bijbehorende voorzieningen, waaronder een welzijnsruimte, realiseren. Intramurale zorg betreft de zorg die cliënten ontvangen gedurende een onafgebroken verblijf in een instelling. Het gaat om zorg in een verpleeghuis of verzorgingshuis, instelling voor gehandicapten of instelling voor cliënten met langdurige psychische problemen.

Ook het gebouw is hierdoor in ontwerp aangepast. Op een groter gedeelte van het gebouw is een derde bouwlaag toegevoegd.

In het voorliggend bestemmingsplan is de nieuwe ontwikkeling getoetst aan de beleidsvoornemens en de relevante wet- en regelgeving. De verbeelding en regels omvatten het nieuwe juridisch-planologisch kader, waarbinnen de beoogde ontwikkeling kan plaatsvinden.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1 met een blauwe cirkel. Het plangebied voor de ontwikkeling van fase 5 ligt in het westelijk deel van de vesting van Brielle, omsloten door de Birgittenweg, M.H. Trompstraat, die overloopt in de Burgemeester H. van Sleenstraat, de vestingwerken en fase 4. Het betreft een bouwrijp terrein waar een voormalig schoolcomplex op was gesitueerd.

Het plangebied maakt onderdeel uit van een grotere ontwikkeling aan de Burgemeester H. van Sleenstraat te Brielle. In figuur 1.1 is de totaalontwikkeling bestaande uit fasen 1 t/m 5 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0001.png"

Figuur 1.1 Indicatieve ligging plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 2 t/m 5', dat op 8 maart 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld. Ter hoogte van de parkeerplaatsen aan de zuidoostzijde van het plangebied vigeert gedeeltelijk het bestemmingsplan 'Vesting', vastgesteld op 11 december 2012 en op 1 februari 2013 onherroepelijk geworden.

Een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan is opgenomen in figuur 1.2, waarbij fase 5 met een rode vierkant is aangeduid. De gronden hebben ter plaatse van de ontwikkeling de bestemming 'Maatschappelijk' met als nadere aanduiding 'wonen'. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding zijn maximaal 10 appartementen toegestaan.

Het plan is strijdig met het bestemmingsplan, omdat het bouwplan, inclusief parkeren, buiten de bestemmingsgrenzen wordt gerealiseerd, er over een groter gedeelte een derde bouwlaag wordt toegevoegd en er meer woningen worden gerealiseerd dan mogelijk conform de aanduiding 'wonen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0003.png"

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 2 t/m 5

Voor dat gedeelte dat het bestemmingsplan 'Vesting' vigeert, hebben de gronden de bestemmingen 'Verkeer' en 'Groen'. Dit betreft een gedeelte van de gronden aan de zuidoostzijde van het plangebied.

De gemeente staat echter positief tegenover de beoogde ontwikkeling en biedt met het voorliggend bestemmingsplan een nieuw juridisch planologisch kader waarbinnen de ontwikkeling kan plaatsvinden.

Na vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan vervangt dit bestemmingsplan de vigerende bestemmingsplannen 'Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 2 t/m 5' en 'Vesting' , voor het gedeelte dat betrekking heeft op het plangebied.

1.4 Leeswijzer

De verbeelding en regels vormen de kaders ten aanzien van het toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken en van de bouwwerken die ter plaatse mogen worden gebouwd. In de voorliggende toelichting wordt in hoofdstuk 6 de inhoud van de regels en verbeelding uitgelegd. De overige hoofdstukken van de toelichting vormen de planbeschrijving (hoofdstuk 2), de onderbouwing vanuit het beleidsperspectief van de overheden (hoofdstuk 3), de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, de aanwezige te beschermen waarden (hoofdstukken 4 en 5) en het draagvlak vanuit het economisch en maatschappelijk perspectief (hoofdstuk 7).

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Fase 5 betreft de voormalige school De Nieuwe Poort. Aan het gebouw van De Nieuwe Poort was een gymzaal gekoppeld. De voormalige gebouwen waren één verdieping hoog met een kap en namen een groot deel van de open ruimte in beslag. De hoeveelheid beplanting maakte dat het een vrij dichte zone was geworden, waarbij het zicht op de vestingwal vanuit de stad grotendeels verdwenen was. De school is helemaal gesloopt. Direct ten zuiden van fase 5 ligt langs de J. de Klerkstraat een groene strook welke fungeert als speel- en trapveld.

2.2 Ontwikkelingen

Het bouwinitiatief omvat een woonzorgcomplex. Dit woonzorgcomplex bevat maximaal 44 woningen voor ouderen en 28 intramurale pg-woningen/eenheden met bijbehorende voorzieningen, waaronder een welzijnsruimte. Het beoogde complex bevat twee binnenterreinen waaromheen de woningen en kamers gesitueerd zijn. Parkeervoorzieningen zijn aan de buitenzijde om de gebouwen gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0004.png"

Figuur 2.1: Plattegrond nieuwbouw

De centrale toegang ligt in het verlengde van de Brigittenweg. Hier kent de bebouwing een verbijzondering. Door het complex direct aansluitend en parallel aan het bestaande sport- en spelveld te plaatsen, ontstaat langs de Burgemeester H. van Sleenstraat een divergerende ruimte waar parkeren is voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0005.png"

Figuur 2.2: Impressie gevelaanzichten

Het ontwerp is gebaseerd op een aantal ruimtelijke/programmatische uitgangspunten:

  • Er is in het complex een duidelijke scheiding aangebracht tussen de appartementen en de PG-afdeling;
  • Beide hebben een eigen entree. Die van de PG-afdeling geeft ook toegang tot de ontmoetingsruimte en ondersteunende zorgfuncties;
  • Binnendoor is op beide etages een verbinding aangebracht tussen de twee bouwdelen;
  • Elk van beide functies heeft een eigen halfomsloten buitenruimte die elk een eigen vorm en inrichting hebben gekregen;
  • De publieke ontmoetingsruimte met zijn grotere plafondhoogte, is op het scharnierpunt gesitueerd tussen de buurt en de beide bouwdelen van het complex;
  • De ligging half in de hof is benadrukt door er een mos-sedumdak aan toe te voegen;
  • Aan de zijde van de speelplek is in het bestemmingsplan een drielaags bouwvolume geschetst dat daaraan een wand vormt;
  • Halfverdiepte balkons geven de wand ritmiek mee en bieden voor bewoners een beschutte buitenruimte met privacy;
  • De buitengevels zijn uitgevoerd in rode steen, de binnengevels in lichtkleurige volkern plankprofielen met houtmotief. Deze zijn vanwege de sfeer van de tuin maar ook om akoestische redenen gekozen;
  • Alle bergingen zijn opgenomen in de hoofdmassa;
  • Op het platte dak worden zonnecollectoren geplaatst die van belang zijn voor de energieprestatie van het gebouw.

Monumentencommissie

Het in 2017 door de monumentencommissie goedgekeurde plan blijkt financieel niet haalbaar te zijn. Er is een aangepast ontwerp gemaakt, waarbij zowel het programma als de architectuur gewijzigd zijn. De commissie is positief over het aangepaste plan. De informele, afwisselende architectuur aan de zijde Burgemeester H. van Sleenstraat en ter plaatse van de binnenhoven worden positief gewaardeerd. Afgesproken wordt ter plaatse de materiaalmonsters te beoordelen. Kritiekpunten zijn de architectuur van de gevels aan de zijde Jan de Klerkstraat en de wallenzijde en het parkeren.

  • 1. Door de repetitie in het gevelbeeld aan de zijde Jan de Klerkstraat en aan de wallenzijde en het overhoeks doorzetten van de repeterende architectuur oogt het gebouw aan deze zijden te stedelijk en te streng, wat niet past bij de sfeer van de Brielse binnenstad. Dit geldt vooral voor de gevel aan de zijde Jan de Klerkstraat, omdat deze gevel in z'n geheel uit drie lagen bestaat. De commissie suggereert de strenge repetitiegraad te doorbreken door enige mate van diversiteit in de gevels aan te brengen.
  • 2. Het oorspronkelijke beeldkwaliteitsplan beschrijft in de zone Burgemeester van Sleenstraat – wallen gebouwen in het groen. Door het grote aantal parkeerplaatsen voldoet het plan niet aan het beeldkwaliteitsplan. Vooral aan de zijde van de Jan de Klerkstraat is het parkeren storend. Hier wordt de stedelijke, strenge gevel gecombineerd met een lange rij parkeerplaatsen. De commissie suggereert de lange rij parkeerplaatsen te doorbreken en parkeerkoffers omringd door groene hagen te ontwerpen of een deel van de parkeerplaatsen op een halfverharding te realiseren.

Het plan zal worden aangepast aan de opmerkingen van de monumentencommissie. Deze wijzigingen zullen niet leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan.

2.3 Beeldkwaliteit

Beeldkwaliteitsplan (2006)

In het beeldkwaliteitsplan (Atelier Pro) staan uitgangspunten voor de verdere ontwikkeling van de locaties langs de Burgemeester H. van Sleenstraat te weten: Maerlant college, De Maarlandschool en De Nieuwe Poort. De kenmerken van Brielle zijn vertaald naar uitgangspunten en inspiratiebronnen voor de verdere ontwikkeling. Hieronder zijn de algemene uitgangspunten voor fase 5 puntsgewijs op een rij gezet:

  • Vanuit de stad zijn er zichtlijnen naar de vestingwal. De wal wordt weer in beeld gebracht.
  • De nieuwe gebouwen zijn alzijdige losse elementen in het groen met zicht op de vestingwal.
  • Parkeren wordt gebouwd opgelost.

Ruimtelijke randvoorwaarden (2014)

Door Rho zijn in opdracht van de gemeente Brielle ruimtelijke randvoorwaarden (september 2014) opgesteld. De ruimtelijke randvoorwaarden zijn een verdere uitwerking van eerdere documenten, waaronder de stedenbouwkundige visie van RBOI/Rho (2006) en het beeldkwaliteitsplan van Atelier Pro (2009). De ruimtelijke randvoorwaarden zijn gepresenteerd aan de commissie bijzondere projecten en zijn voorgelegd aan de monumentencommissie.

De uitgangspunten uit het beeldkwaliteitsplan waren leidend bij de uitwerking tot de ruimtelijke voorwaarden. Echter door veranderende inzichten, een nieuwe situatie ten aanzien van de woningmarkt en andere geïnteresseerde partijen en doelgroepen (ouderen en jongeren) voor de ontwikkeling is binnen de ruimtelijke randvoorwaarden bewust afgeweken ten opzichte van de kaders die het beeldkwaliteitsplan stelde.

In het document worden ten aanzien van de stedenbouwkundige opzet de volgende voorwaarden gesteld:

  • In aansluiting op de omliggende bebouwing mogen de nieuwe bouwblokken aan de Burgemeester H. van Sleenstraat een ononderbroken gevellengte van maximaal 50 m hebben, waarbij één bouwblok groter kan worden uitgevoerd met een gevellengte van maximaal 70 m.
  • Om de wal zichtbaar te maken vanuit de stad worden minimaal drie vensters van ten minste 20 m breed tussen de gebouwen vrij gelaten (inclusief het bestaande venster met de speelvoorzieningen langs de Brigittenweg). Voor het meest noordelijke venster is een kleine maat nodig ( 5 m) om een intieme woonstraat met doorgang te kunnen maken in het noordelijk deel van de Clarissenstraat, waarbij de route naar de wal behouden blijft.
  • Deze zones rond de zichtlijnen worden zoveel mogelijk open gelaten en groen ingericht. De ondergroei zal worden weggehaald, eventuele grote waardevolle bomen worden behouden.
  • De nieuwe bouwblokken worden minimaal 5 m uit de oever van de bestaande watergang langs de vestingwal (of het verlengde daarvan) gelegd. Ook wordt er een maat van minimaal 5 m uit de rand van de Burgemeester H. van Sleenstraat aangehouden. In deze zone is ruimte voor een trottoir of loopstrook en langs- of haaksparkeervakken langs de weg. De gebouwen krijgen in principe een alzijdige oriëntatie. Dit betekent dat er aan alle zijden een representatieve uitstraling uitgaat, ook richting de groene vensters en de vestingwal. Het is gezien de maat en oppervlakten van de bouwvlakken niet mogelijk om overal voorkanten te realiseren. Daarom zullen er architectonische middelen moeten worden ingezet om ook ondergeschikte zijden een hoge beeldkwaliteit mee te geven.
  • De nieuwe bebouwing mag worden afgedekt met een plat dak en een deel van het gebouw kan in drie bouwlagen worden uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0006.png"

Figuur 2.3: Gevellengte en doorzichten

Ten aanzien van de beeldkwaliteit worden de volgende regels gesteld:

  • De groene ruimte bestaat uit de vensters op de wal en de ruimte tussen de wal en de gebouwen. De vensters worden zoals eerder aangegeven vooral groen ingericht met overzicht: gras, met enkele solitaire grote waardevolle bomen zonder ondergroei.
  • In de ruimten tussen de wal en de bouwblokken kan de groene sfeer van de vroegere moestuinen langs de wal teruggebracht worden. Het gebied is openbaar en bruikbaar. De basis voor de nieuwe beplanting zijn grasvelden met hoogstam fruitbomen of collectieve tuinen. Daartussen is ruimte voor speelvoorzieningen en paden.
  • De openbare ruimte aan de Burgemeester H. van Sleenstraat wordt eenduidig als hoogwaardig verblijfsgebied ingericht, op een wijze waarbij de auto duidelijk te gast is, door een zo min mogelijk hoogteverschillen in het profiel (geen stoepranden) en door middel van afwijkende kleur of belijning is de plek van de auto zichtbaar.
  • Voor de uitwerking van de architectuur geldt een eigentijdse vormgeving, robuust met een zorgvuldig doch sobere detaillering. Elk te onderscheiden blok krijgt een eigen uitstraling en architectonische uitwerking. Het gebouw mag worden afgedekt met een plat dak en een deel van het gebouw kan in drie bouwlagen worden uitgevoerd.

Conclusie

Het appartementencomplex voldoet aan de ruimtelijke randvoorwaarden en het beeldkwaliteitsplan. De monumentencommissie heeft ingestemd met het te realiseren complex.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Besluit ruimtelijke ordening, Ladder voor duurzame verstelijking (2017)

Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). De ladder is gewijzigd per 1 juli 2017. Voor alle stedelijke ontwikkelingen moet de behoefte worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een woonzorgcomplex met maximaal 44 woningen voor ouderen en 28 intramurale pg-woningen/eenheden met bijbehorende voorzieningen, waaronder een welzijnsruimte, en betreft daarmee gelet op de omvang (meer dan 12 woningen) een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. De locatie betreft een herontwikkelingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Omdat de provincie Zuid-Holland een uitgebreidere laddermotivering heeft geborgd via de Verordening Ruimte, wordt verwezen naar paragraaf 3.2. Hierin is de behoefte in de relevante woonregio beschreven.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

In 1975 hebben de toenmalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de binnenstad van Brielle en de naaste omgeving aangewezen tot beschermd stadsgezicht ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet (destijds artikel 20). De vesting is daarbij aangemerkt als 'een samenhangende groep roerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen, bruggen, vaarten, grachten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens schoonheid of het karakter van een geheel'. In een bestemmingsplan voor een beschermd gebied worden de cultuurhistorische waarden door middel van stedenbouwkundige en juridische maatregelen gewaarborgd. Op basis van artikel 37 van de Monumentenwet is het verboden in beschermde stadsgezichten een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag.

Toetsing

In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op het actuele cultuurhistorische beleid.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit (geconsolideerde versie 12 januari 2017)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014 en meermaals (gedeeltelijk) herzien, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

In de VRM zijn voor ruimte en mobiliteit vier speerpunten benoemd:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Voorne-Putten

De gemeente Brielle maakt deel uit van de regio Voorne-Putten. Voorne-Putten is een eiland met zowel een stedelijk als een landelijk karakter. Voorne-Putten maakt deel uit van de Zuidvleugel en daarmee van het stedelijk netwerk. Het eiland vormt een combinatie van het zeekleipolderlandschap, veenpolderlandschap, duinlandschap en buitendijks natuurlandschap. Hoewel het gebied een eenheid vormt, is de diversiteit van het eiland kenmerkender dan de samenhang. De grote variatie in landschap en mate van verstedelijking maken de samenhang minder herkenbaar.

Verrommeling van het eiland en nivellering van de landschappen liggen op de loer. Een grote opgave is dan ook een helder perspectief te scheppen, met een eigen identiteit voor Voorne-Putten. Dit perspectief ligt in een samenhangend, divers, kwalitatief hoogwaardig recreatieaanbod in combinatie met de toeristische kwaliteiten van de historische kernen en de badplaatsen in het natuurgebied van Voornes Duin.

Wonen en werken

De woningmarkt is een voorraadmarkt. In een gedeelte van de vraag kan worden voorzien door (her)gebruik, vernieuwbouw, renovatie, verhuur en verkoop van de bestaande voorraad. In een deel van de behoefte aan eengezinswoningen kan bijvoorbeeld worden voorzien doordat woningen vrijkomen door verhuizing naar zorgeenheden of door het overlijden van ouderen. De provincie verwacht van gemeenten dat zij met elkaar in regionale visies vanuit dat perspectief vertrekken. Dat wil zeggen dat inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden die de bestaande voorraad en doorstroming bieden, dat voorraad- en huisvestingsbeleid worden vastgesteld en dat daaruit volgende acties worden geformuleerd. Het bouwprogramma is het sluitstuk, dat volgt uit kwalitatieve en kwantitatieve behoefteramingen en uit de voorziene ontwikkeling van voorraad en de bewoning daarvan.

De provincie biedt de gemeenten hiervoor een referentiekader aan via woningmarktverkenningen. Voor de regio Voorne-Putten is tevens een specifieke woningmarktverkenning uitgevoerd (ABF Research, 25 april 2017). Woningbouw zal binnen de provincie Zuid-Holland voor het grootste deel plaats moeten vinden in de stedelijke agglomeratie (Rotterdam en andere grote steden). Het grootste deel van de woningbehoefte betreft woningen in een centrumstedelijk, buitencentrum- of centrumdorps milieu. Maar ook in andere milieus moet worden bijgebouwd. De provinciale kwantitatieve en kwalitatieve behoefteramingen, die eens per drie jaar worden geactualiseerd, vormen een referentiekader voor het gesprek tussen provincie en regio's over de actualisering van regionale woonvisies. Een nieuw actualiseringsproces is op dit moment gaande. De regio's leveren ieder jaar voor 1 juli input voor deze gesprekken.

Toetsing

Bestaand stads- en dorpsgebied

Het plangebied ligt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de historische kern van Brielle , zoals zichtbaar in figuur 3.1. De provincie wil in eerste instantie de bebouwde ruimte beter benutten. Onder 'bebouwde ruimte' wordt het stelsel verstaan van de systemen stedelijke agglomeratie, dorpen en linten en logistiek-industrieel systeem, inclusief de bijbehorende infrastructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0008.jpg"

Figuur 3.1. Ligging plangebied binnen 'bestaand stads- en dorpsgebied' (bron: Provincie Zuid-Holland)

Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 12 januari 2017)

De Verordening ruimte Zuid-Holland bevat regels ten aanzien van een aantal belangrijke ruimtelijke onderwerpen. Het volgende artikel uit de Verordening ruimte 2014 is relevant voor voorliggende ontwikkeling.

Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,

i. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,

ii. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en

mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en

iii. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Lid 2 Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau

Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Toetsing

De realisatie van (zorg)woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De relevante regio voor toetsing van een woningbouwontwikkeling in Brielle is de regio Rotterdam, subregio Voorne-Putten.

Ad lid 1, onder a. Behoefte

Voor het bepalen van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de beoogde ontwikkeling zijn provinciale prognoses en regionale afspraken leidend. De druk op de woningmarkt is sinds 2015 fors toegenomen. Dit blijkt ook uit de actuele provinciale woningbehoefteraming, woningmarktverkenningen en de actualisering van de regionale woonvisie.

Kwantitatieve behoefte

Uit de actuele provinciale woningbehoefteraming 2016 (WBR) blijkt dat er in de regio Voorne-Putten in de periode 2015 t/m 2029 behoefte is aan circa 3.100 tot 7.100 woningen. In de gemeente Brielle is een behoefte berekend van maximaal 1.684 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0009.jpg"

Figuur 3.2 WBR en BP 2016 (bron: Staat van Zuid-Holland, Provincie Zuid-Holland)

De regionale woningbouwplanning (inclusief voorliggende ontwikkeling) blijft binnen de behoefteraming van de provincie. Dat blijkt uit de bijlage bij de Woonvisie Voorne–Putten 2016-2020, die in 2017 is geactualiseerd. Hierin zijn de onderstaande regionale woningbouwafspraken opgenomen. Bij de geplande aantallen woningen blijven alle vier de gemeenten (en dus de subregio Voorne-Putten in totaal) binnen de bandbreedte van WBR 2016 en de BP 2016.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0010.png"

Figuur 3.3 Woningbouwprogramma

Kwalitatieve behoefte

Uit de provinciale woningmarktverkenning 'Regio's Zuid-Holland 2016' blijkt dat er behoefte is aan ruim 10.000 woningen in dorpse woonmilieus. Brielle is aangemerkt als een dorps woonmilieu. Het nieuwe woonzorgcomplex ligt in een dorps woonmilieu waar regionaal vraag naar is. In 'Dat spreken we af' is omschreven dat dorps wonen elders in de regio nauwelijks voorkomt, een unieke kwaliteit van Voorne- Putten is en de vraag elders uit de regio bedient.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0011.jpg"

Figuur 3.4 Behoefte naar woonmilieus

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0012.jpg"

Figuur 3.5 Woonmilieus (bron: ABF Research)

Uit de woningmarktverkenning van de subregio Voorne-Putten (2017) blijkt een grote behoefte aan de woonmilieus suburbaan grondgebonden, dorps en landelijk. Het woonzorgcomplex ligt binnen een dorps/suburbaan woonmilieu en sluit daarom aan bij de behoefte vanuit de regio.

Uitgangspunt van de Regionale Woonvisie Voorne - Putten 2016-2020 (actualisatie 2017) is dat alle inwoners op Voorne-Putten goed kunnen wonen, met in het bijzonder aandacht voor vergrijzing en demografie, levensloopgeschiktheid en passende woningen, betaalbaarheid en aantrekkelijke woonmilieus. In de Woonvisie Voorne-Putten is er voor gekozen om de focus bij nieuwbouw te leggen op het aanbod dat ontbreekt. Daarnaast blijft het van belang om in de nieuwbouw een gevarieerd aanbod te bieden.

De grootste groeigroepen voor de komende periode zijn eenoudergezinnen, alleenstaanden en alleenstaande senioren. Op basis van de huidige woningvoorraad en woonmilieus en de toekomstige vraag is er vooral behoefte aan dorpse en landelijke woonmilieus.

Conclusie

Ad lid 1 onder a: In de actualisering van de regionale woonvisie is het woningbouwprogramma afgestemd op de WBR 2016. De regionale planning en de planning in Brielle blijven binnen de bovengrens van de prognose.

Uit de woonvisie blijkt dat dorpse woonmilieus gewild zijn onder woningzoekenden. Het project geeft invulling aan de kwantitatieve behoefte en aan de kwalitatieve behoefte aan zorgwoningen.

Ad lid 1 onder b: De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Ad lid 1 onder c is daarom niet aan de orde.

Ad Lid 2: Er is een forse woningbehoefte in de regio en in de gemeente Brielle en er is behoefte aan het beoogde dorpse woonmilieu. De aantallen zijn regionaal afgestemd. Met de toevoeging van het woonzorgcomplex, wordt gebouwd voor een specifieke doelgroep.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Brielle (2009)

In de structuurvisie zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en het ruimtelijk beleid verankerd. Doelstelling van de structuurvisie is het bieden van een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een ruimtelijke structuur die bijdraagt aan:

  • goed kunnen wonen en leven in de gemeente;
  • de cultuurhistorische identiteit van Brielle;
  • een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling.


Brielle heeft de volgende ambities:

  • bouwen van circa 2.650 woningen (met daarnaast sloop van 255 woningen, dus per saldo een toename van ongeveer 2.400 woningen) waardoor een groei naar circa 20.000 inwoners mogelijk is;
  • bij het realiseren van de woningbouw prioriteit geven aan gezinnen (met een midden/hogere opleiding);
  • de positie van jongeren op de woningmarkt verbeteren;
  • de woningvoorraad beter laten aansluiten op de vergrijzende bevolking;
  • investeren in een goede woon- en leefomgeving;
  • een logische afstemming tussen wonen-welzijn-zorg;
  • de gemeente als regisseur.

Om te voorzien in de woningbehoefte zijn binnen de gemeente woningbouwlocaties aangegeven. Het plangebied van dit bestemmingsplan is specifiek benoemd in de visie: 'de belangrijkste herstructuringslocatie binnen de vesting is de scholenlocatie aan de Burgemeester H. Van Sleenstraat woningbouwlocatie'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0013.png"

Figuur 3.6 Uitsnede structuurvisiekaart

Naast duurzame invulling van het woningbouwprogramma, zet de gemeente eveneens in op een gedifferentieerde en vraaggerichte woningbouw. Belangrijke opgave is het wegwerken van het tekort aan levensloopbestendige woningen met zorg op maat.

Senioren, met name de mensen die vanwege de leeftijd beperkingen gaan ondervinden, hebben behoefte aan appartementen (met lift) en grondgebonden nultredenwoningen. Ook aan nieuwe woonzorgcombinaties met 24-uurs zorg of zorg op afroep is behoefte.

Toetsing

De locatie is in de visie opgenomen als woningbouwlocatie en voldoet aan de uitgangspunten van de visie. Het plan geeft speciek invulling aan de behoefte aan levensloopbestendige woningen met zorg op maat.

Woonvisie Brielle 2017 - 2022

Een recente ontwikkeling binnen het Brielse, is de groeiende behoefte aan wonen en zorg. Voor een belangrijk gedeelte is dit een gevolg van de vergrijzing, met als belangrijkste oorzaken: er zijn steeds meer ouderen, en inwoners worden gemiddeld steeds ouder (de zogenoemde 'dubbele vergrijzing'). Een trend die zich ook regionaal op Voorne-Putten en landelijk voordoet. Gepaard met een ouder wordende samenleving gaat een groeiende vraag naar wonen met zorg en welzijn. Zo lang mogelijk zelfstandig wonen is de norm. Iets wat de meeste ouderen ook willen, het liefst in de vertrouwde omgeving en in nabijheid van hun eigen sociale netwerk. Dit stelt eisen aan de geschiktheid van woningen. Het vraagt om het aanpassen van de bestaande voorraad voor ouderen die in hun huidige woning willen blijven en om aanbod van geschikte en/of levensloopbestendige woningen voor hen die willen verhuizen.

Naast ouderen doen ook andere (kwetsbare) doelgroepen in toenemende mate een beroep op de woningvoorraad. Zo heeft de recent sterke asielinstroom geleid tot een groeiende groep vergunninghouders die een plek moet vinden. En heeft de gemeente met invoering van de Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning extra verantwoordelijkheden gekregen in het huisvesten van kwetsbare jongeren en het (laten) bieden van beschermd wonen voor personen met psychiatrische problematiek.

De volgende vier thema's verdienen in de komende jaren prioriteit:

1. Aantrekkelijke woongemeente Brielle.

2. Een goed functionerende woningmarkt.

3. Betaalbaarheid en beschikbaarheid.

4. Wonen met zorg en welzijn.

Ten aanzien van thema 4 is de ambitie om oudere huishoudens met een verhuiswens zo goed mogelijk te bedienen. Dit betekent dat er voldoende aanbod geschikte woningen moet zijn. In de komende jaren wil de gemeente dit aanbod uitbreiden, aansluitend op de behoefte in de gemeente. Hierbij wordt tevens ingezet op het faciliteren van kleinschalige woonzorginitiatieven. Nieuwbouwlocaties die aantrekkelijk zijn voor ouderen, vooral in en rond het centrum van Brielle, willen de gemeente waar mogelijk benutten voor de realisatie van geschikte woningen in verschillende prijsklassen.

Toetsing

Het initiatief heeft invulling aan het woonbeleid van de gemeente Brielle ten aanzien van beschermd wonen en zorgwonen.

3.4 Conclusie

Het bestemmingsplan is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied en is gericht op de ontwikkeling van woningen voor een specifieke doelgroep zorgbehoevenden. Het voorliggend bestemmingsplan voldoet aan het beschreven beleidskader.

Hoofdstuk 4 Cultuurhistorie en archeologie

4.1 Beschermd stadsgezicht

Op 15 september 1975 hebben de toenmalige ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de binnenstad van Brielle en de naaste omgeving aangewezen tot beschermd stadsgezicht van de Monumentenwet (destijds artikel 20). De vesting Brielle is daarbij aangemerkt als 'een samenhangende groep onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen, bruggen, vaarten, grachten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel'. Bij beschermde stads- en dorpsgezichten zou men dan ook kunnen spreken van 'stedenbouwkundige' monumenten, waarbij de nadruk valt op het historische plan van aanleg.

In een bestemmingsplan voor een beschermd gebied dient de bescherming van de cultuurhistorische waarden door middel van stedenbouwkundige en juridische maatregelen gewaarborgd te worden. Dit betekent dat regels ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van opstallen en onbebouwde gronden gericht zullen moeten zijn op veiligstelling van de cultuurhistorische waarden. In elk geval dienen zij zo opgesteld te worden, dat een zorgvuldige beoordeling en inpassing van bouwwerken, andere werken en werkzaamheden, alsmede een grondige afweging van belangen verzekerd zijn. Het is daarbij echter in geen geval de bedoeling om het gebied waarvoor het beschermd gezicht geldt te 'bevriezen'. Er wordt wel naar gestreefd noodzakelijke of wenselijke veranderingen zo te doen plaatsvinden, dat zij qua aard, schaal en sfeer passen in de historische karakteristiek van het stadsgezicht.

In de aanwijzing is de binnenstad in drie zones ingedeeld, te weten zone A, B en C. Het plangebied valt in 'zone C' een gebied van belang vanwege de hoofdstructuur van het stratennet, benevens de hoogte van de bebouwing.

De in deze stadsgedeelten gerealiseerde woningbouw sluit qua schaal en massa en door zijn aansluiting bij het aanwezige stratenpatroon over het algemeen vrij goed aan bij de oudere stadsgedeelten. Het minst is dit het geval in de zuidwesthoek van de stad, waar naast een woonbuurtje ook enkele scholencomplexen van vrij grote schaal gelegen zijn.

Conclusie

De ontwikkeling zorgt ervoor dat de nieuwe bebouwing beter aansluit bij de oudere stadsgedeelten. De woonbebouwing past beter op die locatie dan het schoolgebouw, als onderdeel van een grootschalig schoolcomplex. De regels van het bestemmingsplan (met name via de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2 en 3') zorgt ervoor dat de tot nu toe onaangetaste waarden ook in de toekomst behouden blijven.

4.2 Cultuurhistorie

Kiezen voor kwaliteit, visie erfgoed en ruimte (2011)

In 'Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte' schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. Deze beleidsvisie is complementair aan en consistent met de Structuurvisie infrastructuur en ruimte.


Het kabinet zet de modernisering van de monumentenzorg (Momo) voort. Een van de doelen van die modernisering is het meewegen van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vanuit de overtuiging dat het voor een ontwikkelingsgerichte erfgoedzorg noodzakelijk is om naast de sectorale monumentenwetgeving het ruimtelijke ordeninginstrumentarium te benutten. Het kabinet geeft op twee manieren invulling aan deze doelstelling. Generiek bewerkstelligt een aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening dat bij besluiten over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (bij het opstellen van bestemmingsplannen) bijzondere aandacht wordt besteed aan de waarden van cultureel erfgoed, onder en boven de grond.


Specifiek gaat het Rijk duidelijker prioriteiten stellen, aangeven welke cultuurhistorische gebieden en opgaven zij van (inter)nationaal belang vindt en waar het Rijk voor zichzelf een rol ziet in het gebiedsgerichte erfgoedmanagement.


De visie Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte geeft invulling aan deze specifieke lijn. Het Rijk kiest voor de komende jaren vijf prioriteiten in zijn gebiedsgerichte erfgoedbeleid:


1. werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten;

2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;

3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp;

4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie;

5. wederopbouw: tonen van een tijdperk.

Toetsing
Dit bestemmingsplan geeft invulling aan de derde prioriteit. Het maakt herbestemming binnen cultureel erfgoed mogelijk.


Kwaliteitsnota Vesting (2012)

Richtlijnen die architectonisch van aard zijn, zijn opgenomen in de Kwaliteitsnota. De Kwaliteitsnota is vastgesteld als onderdeel van het welstandsbeleid en heeft een volwaardige plek bij de toetsing van bouwplannen.

In de nota zijn voorwaarden opgenomen ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken. Daarbij gaat het om zaken zoals materiaal- en kleurgebruik van gevels en daken te regelen. Daarnaast zijn gevelindeling, ornamenten en detaillering ook zaken die in het kader van welstand worden geregeld.

Conclusie

Voor het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het bouwplan voldoet aan de ruimtelijke randvoorwaarden, die een verdere uitwerking zijn van eerdere documenten, waaronder de stedenbouwkundige visie en het beeldkwaliteitsplan, zie paragraaf 2.3.

4.3 Archeologie

Inleiding

De vesting van Brielle heeft een waardevol bodemarchief. Uit archeologisch onderzoek is duidelijk geworden dat het middeleeuwse veengebied, waaruit het plangebied bestond, vanaf de 9e-10e eeuw is ontgonnen.

Brielle is ontstaan vanuit twee afzonderlijke parochies langs de dijk die nu nog in de stad is te herkennen, de Voorstraat en de Nobelstraat. De eerste lay-out van de stad binnen de 14e-eeuwse stadsgrachten en -muren wijzigt zich in de 17e-18e eeuw bij moderniseringen van de vestingwerken. Op basis van de ontstaansgeschiedenis van de vesting van Brielle bestaat er een redelijk grote kans op het aantreffen van archeologisch waardevolle sporen.

Regelgeving en beleid

Monumentenwet, 1988

De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Beleidsplan "Koers bepaald"

De gemeente Brielle heeft haar eigen archeologiebeleid ontwikkeld. De gemeente Brielle heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld. Bij de beleidsnota hoort ook een archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Er zijn drie categorieën opgenomen voor de verwachtingswaarde. Per verwachtingswaarde gelden uitgangspunten voor nader onderzoek.

Ter plaatse van het plangebied geldt verwachtingswaarde '1'. Dit is de zwaarste bescherming van de archeologische waarden. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemming dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

Toetsing en conclusie

Nader archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemming dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 5 Sectorale onderzoeken

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de sectorale onderdelen die van belang zijn voor het bestemmingsplan.

5.1 Verkeer en parkeren

Ontsluitingsstructuur

Ontsluiting gemotoriseerd verkeer

Het plangebied ligt aan de westzijde binnen de vesting van de kern Brielle. Het gebied wordt ontsloten op de Burgemeester H. van Sleenstraat. Deze weg gaat in zuidelijke richting over in de M.H. Trompstraat, welke aansluit op de Venkelstraat. De Venkelstraat loopt via een vloeiende bocht over in de Pieter van Wallendam. Deze weg verzorgt de toegang tot de vesting vanaf de provinciale weg N218. De N218 leidt in westelijke richting, via de N15, naar de Maasvlakte en in oostelijke richting naar de N57. Via de N57 wordt in noordelijke richting aangesloten op de N15/A15 in de richting van het Botlekgebied. In zuidelijke richting leidt de N57 naar Goeree-Overflakkee en de Zeeuwse eilanden.

Binnen de vesting van Brielle zijn alle wegen gecategoriseerd als erftoegangswegen binnen de bebouwde kom. Hier geldt een maximum snelheid van 30 km/u. De N218 betreft een regionale gebiedsontsluitingsweg. Ter hoogte van Brielle geldt, ondanks een buitenstedelijke ligging, een maximum snelheid van 50 km/u. Verder richting de aansluitingen op de N15 (west) en de N57 (oost) geldt een maximum snelheid van 80 km/u. Gezien de relatief goede aansluiting op het regionale en landelijke wegennetwerk is de ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer als goed beoordeeld.

Ontsluiting langzaam verkeer

Ook voor het langzaam verkeer vindt de ontsluiting van het plangebied primair plaats via de Burgemeester H. van Sleenstraat. Het fietsverkeer wordt hier, net als op andere wegen binnen de vesting, gemengd met het gemotoriseerde verkeer afgewikkeld. Ten behoeve van voetgangers zijn trottoirs aanwezig. Dit is conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig voor erftoegangswegen. De fietsroutes vanuit de vesting sluiten aan op de N218. Langs de N218 liggen vrijliggende fietspaden die in twee richtingen bereden worden. Een andere ontsluiting voor fietsverkeer voert via het noordelijk deel van de vesting en via een vrijliggend fietspad langs het Brielse Meer richting het oosten. De ontsluiting van het plangebied is ook voor het langzaam verkeer goed.

Binnen de vesting zijn op strategische plaatsen voet- en fietsbruggen aanwezig ten behoeve van de kruising van de havens. Fietsers kunnen de eenrichtingswegen in twee richtingen berijden. Hierdoor hebben fietsers binnen de vesting directere routes dan het gemotoriseerde verkeer.

Ontsluiting openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde openbaarvervoerhalte is gelegen aan de N218. Deze ligt op circa 700 meter loopafstand van het plangebied. Vanaf deze halte rijden lijnbussen in regelmatige frequentie in de richting van omliggende kernen als Rockanje en Rozenburg, maar ook in de richting van Spijkenisse. In Spijkenisse wordt aangesloten op het metronetwerk van Rotterdam.

Parkeren

De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is, conform het stedenbouwkundig plan, bepaald op basis van een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning. Tevens dient op basis van het stedenbouwkundig plan voor de te realiseren intramurale pg-woningen/eenheden uitgegaan te worden van een parkeernorm van 0,5 tot 0,7 parkeerplaatsen per kamer. Op basis van autobezit en omgevingsadressendichtheid binnen de gemeente Brielle, kan worden uitgegaan van het gemiddelde (0,6 parkeerplaatsen per kamer). Binnen het plangebied worden 44 woningen gerealiseerd en 28 intramurale pg-woningen/eenheden. Op basis van dit aantal eenheden en de parkeernorm geldt een totale parkeerbehoefte van 70,4 + 16,8 = 87 parkeerplaatsen. Er worden in totaal 87 parkeerplaatsen + 3 minder valide, dus 90 in totaal voor fase 5 gerealiseerd. Naast de 90 parkeerplaatsen voor het woonzorgcomplex, zijn 20 extra parkeerplaatsen opgenomen ter compensatie van fase 4. In totaal worden dus 110 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

In het bestemmingsplan 'Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 2 t/m 5' (2016) is onderbouwd dat de verkeersgeneratie zonder problemen op de Burgemeester H. van Sleenstraat kan worden afgewikkeld. Dit is onderbouwd op basis van het oude woonprogramma (10 inleunappartementen en 68 zorgkamers). Allereerst is de verkeersgeneratie op basis van het oude woonprogramma berekend. De verkeersgeneratie is bepaald op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 317: 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). Voor de woningen is uitgegaan van de kentallen die beschikbaar zijn voor rij-/hoekwoningen in de koopsector. Uitgaande van een ligging binnen een weinig stedelijke omgeving (bron: CBS) in het centrumgebied van de kern Brielle bedraagt dit kencijfer gemiddeld 7,2 mvt/etmaal. Voor de zorgkamers is de verkeersgeneratie berekend op basis van de kencijfers van een aanleuningwoning/serviceflat. Op basis van bovenstaande uitgangspunten bedraagt de verkeersgeneratie 2,4 mvt/etmaal per zorgkamer. De voormalige verkeersgeneratie bedraagt hierdoor totaal 230 mvt/etmaal op basis van een gemiddelde weekdag.

Vervolgens is de verkeersgeneratie van het nieuwe woonprogramma berekend. Hierbij zijn dezelfde kencijfers van het CROW gehanteerd. Op basis van deze gegevens bedraagt de totale verkeersgeneratie circa 384 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. De verkeerstoename van 156 mvt/etmaal is dusdanig beperkt dat het niet tot knelpunten zal leiden op de Burgemeester H. van Sleenstraat.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is voor de verschillende modaliteiten goed te noemen. De huidige infrastructuur zal het verkeer ten behoeve van voorliggend plan kunnen afwikkelen. Daarnaast is binnen het plangebied voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte.

5.2 Industrielawaai

Beleid en normstelling

Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' of 'grote lawaaimakers' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er in de geluidszone van het industrieterrein geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidsgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).

Onderzoek

Het plangebied ligt binnen de geluidszone van industrieterrein Europoort-Maasvlakte (zie figuur 5.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0014.png"

Figuur 5.1 Deel gezoneerd industrieterrein Europoort-Maasvlakte (geblokte arcering) met bijbehorende zonegrens (rood). Het gebied tussen het industrieterrein en de zonegrens is de geluidszone

Door de milieudienst DCMR zijn bouwplantoetsingscontouren voor de gemeente Brielle berekend, op basis van het in het verleden vastgestelde saneringsprogramma en het besluit van de Minister van VROM (5 juli 2000) over de maximaal toelaatbare geluidniveaus'(MTG's). Uit deze contouren blijkt dat ter plaatse van de planlocatie voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai (50 dB(A)). Het vaststellen van hogere waarden is om deze reden niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0015.png"

Figuur 5.2 Bouwplantoetsingscontouren

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van het industrieterrein Maasvlakte-Europoort geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan.

5.3 Wegverkeerslawaai

Ontwikkeling

Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van nieuwe woningen en zorgeenheden juridisch-planologisch mogelijk. Woningen en zorggebouwen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. De ontwikkeling ligt (deels) binnen de geluidszones van de Schrijversdijk en de Langesingel.

Toetsingskader

Normstelling

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties

Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Voor de beoogde binnenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB.

30 km/h-wegen

Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h of lager op basis van de Wgh niet-gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de uiterste grenswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. In dit kader is rekening gehouden met de ligging van het plangebied aan de Burgemeester H. van Sleenstraat. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 30 km/h.

Aftrek ex artikel 3.4 RMG 2012

Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Op de Schrijversdijk geldt een maximum snelheid van 50 km/h, op de Langesingel van 60 km/h en op de Burgemeester H. van Sleenstraat van 30 km/h. Van deze aftrek is zodoende gebruik gemaakt.

Uitgangspunten

De ontwikkeling ligt (deels) binnen de wettelijke geluidszone van de Schrijversdijk en de Langesingel. De Schrijversdijk heeft op basis van een indeling met twee rijstroken en een binnenstedelijke ligging ter hoogte van de kern Brielle een geluidszone van 200 meter. De Langesingel heeft, op basis van een buitenstedelijke ligging en en een rijbaanindeling met een enkele rijloper, een geluidszone van 250 meter. De bebouwing bestaat uit maximaal drie bouwlagen. Zodoende is gerekend voor de waarneemhoogten 1,5 m, 4,5 m en 7,5 m.

Verkeersgegevens

De gehanteerde verkeersintensiteiten zijn ontleend aan het verkeersmodel (RVMK3-model, Stadsregio Rotterdam). Binnen dit verkeersmodel is een basisintensiteit (mvt/etmaal) opgenomen voor 2010. Om de intensiteit in het planjaar 2028 te bepalen is uitgegaan van een autonome groei van 1,5% per jaar. Voor de Burgemeester H. van Sleenstraat is tevens de verkeersgeneratie van de ontwikkeling bij de modelprognose opgeteld. De gehanteerde voertuig- en etmaalverdeling zijn afkomstig uit de tool VI lucht en geluid. Voor de Schrijversdijk en de Langesingel is verder uitgegaan van een uitvoering in dicht asfaltbeton. De Burgemeester H. van Sleenstraat is uitgevoerd in elementverharding in keperverband. Deze verschillende invoergegevens zijn terug te vinden in de rekenbladen in bijlage 2.

Onderzoek en resultaten

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. Hierbij is steeds de kortste afstand aangehouden tussen de as van de betreffende weg en de grens van het plangebied. Het betreft een berekening waarbij de aanwezigheid van de stadswal niet is meegenomen. In werkelijkheid heeft deze, ten aanzien van het geluid als gevolg van het wegverkeer op de Schrijversdijk en de Langesingel, een afschermend effect. Zodoende is voor deze wegen sprake van een worstcase berekening.

Gezoneerde wegen

Uit de berekeningen blijkt ten aanzien van de Schrijversdijk een maximale geluidbelasting van 45 dB bij een waarneemhoogte van 7,5 m. Ten aanzien van het wegverkeer op de Langesingel bedraagt de geluidbelasting maximaal 40 dB, eveneens bij de waarneemhoogten van 7,5 m. Voor beide wegen geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Niet gezoneerde wegen

Uit de berekeningen blijkt ten aanzien van de niet gezoneerde Burgemeester H. van Sleenstraat een maximale geluidbelasting van 58 dB. Hiermee wordt de richtwaarde van 48 dB overschreden. De maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden.

Maatregelen ter reductie van de geluidbelasting

Voor de ontwikkeling is sprake van een hogere geluidsbelasting dan 48 dB ten gevolge van de Burgemeester H. van Sleenstraat. Bezien is of met maatregelen de geluidsbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Er is een aantal maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting denkbaar. Een mogelijkheid is om de functie van de weg, samenstelling van het verkeer of de maximumsnelheid te wijzigen. De functie als erftoegangsweg met de daarbij behorende maximumsnelheid van 30 km/h dient behouden te blijven voor de ontsluiting van het omliggende gebied. Erftoegangswegen behoren tot de laagste wegcategorie. Wijziging hiervan of van de samenstelling van het verkeer ten behoeve van verdere geluidsreductie is daarom niet wenselijk.

Verder zijn erftoegangswegen hoofdzakelijk voorzien van een klinkerverharding. Asfalteren van deze wegen is om verkeerskundige redenen niet wenselijk. Klinkerverharding draagt bij aan het verblijfskarakter en heeft een snelheidsremmend effect. Een asfaltverharding is om die reden niet wenselijk. Maatregelen in het overdrachtsgebied zoals geluidsschermen zijn niet inpasbaar. Ook is het vergroten van de afstand tussen de wegas en de ontwikkeling niet mogelijk; het bouwplan is dan niet meer inpasbaar.

Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat ten aanzien van de gezoneerde Schrijversdijk en Langesingel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Wel blijkt dat de richtwaarde ten aanzien van de niet gezoneerde Burgemeester H. van Sleenstraat (48 dB) wordt overschreden. De geluidbelasting bedraagt ten aanzien van deze weg maximaal 58 dB. Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting zijn niet mogelijk of doelmatig. Omdat de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB niet wordt overschreden, is er sprake van een acceptabel akoestisch klimaat. Omdat 30 km/h-wegen niet-gezoneerd zijn, zijn in het kader van de Wgh geen aanvullende procedures noodzakelijk. Bovendien is er geen sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van gezoneerde wegen.

Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

5.4 Milieuzonering bedrijvigheid

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

Onderzoek en conclusie

In de directe omgeving van het plangebied zijn woningen aanwezig. Daarnaast zijn er nog enkele maatschappelijke voorzieningen en kantoren aanwezig. Deze liggen op dusdanige afstand dat deze niet van invloed zijn op de milieusituatie in het plangebied. Verder is er geen bedrijvigheid aanwezig die van invloed is op de milieusituatie in het plangebied, of die in hun bedrijfsvoering wordt beperkt door de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van de beoogde woningen zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering bedrijvigheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.5 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Beleidsvisie externe veiligheid

Brielle grenst aan het Rotterdamse havenindustriegebied, waar relatief veel risicovolle bedrijven zijn gevestigd en waar sprake is van transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Ook in de gemeente zelf zijn bedrijven gevestigd die relevant zijn en vindt er transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dit heeft tot gevolg dat een deel van de gemeente Brielle in het invloedsgebied ligt van één of meer risicobronnen. Dit betekent dat bij veel ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente aandacht besteed moet worden aan het onderwerp externe veiligheid.

In de wet- en regelgeving wordt ruimte gelaten voor een afweging van enerzijds de risico's en anderzijds de overige maatschappelijke belangen. In deze belangenafweging zit beleidsvrijheid voor de gemeente. Om deze afweging te kunnen maken legt de gemeente Brielle in de beleidsvisie externe veiligheid voor het aspect externe veiligheid met afspraken de grenzen van het speelveld vast voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

Onderzoek en conclusie

Uit de Visie externe veiligheid Brielle blijkt dat in het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen dat van invloed is op de veiligheidssituatie in het plangebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Binnen de gemeente Brielle is een route voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Het gaat om de N57,

een deel van de N218, Seggeweg, Seggelant-zuid en een deel van Seggelant-west. De vastgestelde route loopt niet langs het plangebied. Bij deze route is er bewust voor gekozen om een deel van de N218 langs Brielle niet te routeren, zodat er geen doorgaande route is. De reden hiervoor is dat er geen vrachtwagens met gevaarlijke stoffen (gerouteerde stoffen) langs het centrum van Brielle kunnen rijden die hier niets hoeven af te leveren. Nu mogen alleen vrachtwagens met gevaarlijke stoffen langs Brielle rijden als zij moeten leveren in de gemeente Brielle. De routering houdt in dat vervoerders, als zij buiten de vastgestelde route moeten rijden, ontheffing voor gebruik van deze route moeten aanvragen bij de gemeente. Bij het vaststellen van de route waarvoor ontheffing wordt gegeven streeft de gemeente naar de kortst mogelijke route over ontsluitingswegen. De gemeente streeft er naar dat woongebieden zoveel mogelijk worden gemeden.

Conclusie

Er wordt voldaan aan de beleid en normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven.

Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
Stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
Fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt circa 384 mvt/etmaal (zie paragraaf 5.1). Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 0,26 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,06 µg/m³. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden. Voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2016 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Burgemeester H. van Sleenstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie

De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied dusdanig dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.7 Bodemkwaliteit

Beleid en Normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Ter plaatse van het plangebied worden grondgebonden woningen en een woonzorgcomplex gerealiseerd op een voormalige scholenlocatie. Hierdoor is er ten opzichte van de vigerende planologische situatie sprake van functiewijziging en dient onderzocht te worden of de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

 

In opdracht van de Gemeente Brielle heeft DETA MILIEU B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (zie bijlage 3). Hiermee is inzicht gegeven in de algemene kwaliteit van de bodem (aard en concentraties van verontreinigende stoffen in de grond en het grondwater) ter plaatse van het plangebied.

Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat op grond van de onderzoeksresultaten er geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van vervolgonderzoek. Er zijn geen milieuhygiënische bezwaren tegen het geschikt maken van de locatie voor woningbouw. Opgemerkt dient te worden dat eventueel vrijkomende grond niet zonder meer kan worden hergebruikt. Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.8 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:

  • Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename;
  • Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;
  • Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat uit een voormalige scholenlocatie langs de Burgemeester H. van Sleenstraat. Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem ter plaatse uit zeekleigrond. Er is sprake van grondwatertrap V. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwatertrap op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden maaiveld ligt.

Waterkwantiteit en -kwaliteit

Aan de westzijde van de planlocatie is een dijksloot gelegen. Rondom de dijksloot is sprake van een beschermingszone van 5 m. Binnen deze zone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. De watergang behoort niet tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.

Veiligheid en waterkeringen

Delen van het plangebied zijn gelegen binnen de kern-/beschermingszone van de aanwezige waterkering. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om de stabiliteit van de kering te kunnen waarborgen.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0016.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0017.png"

Figuur 5.2 Zoneringen waterkeringen

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioleringsstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

Het plan bevat de realisatie van een woonzorgcomplex op een voormalige scholenlocatie te Brielle. Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlakte van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² in stedelijk gebied, dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden.

Een groot deel van het plangebied is in het verleden verhard geweest. Het totale aandeel verharding neemt echter af ten opzichte van de voorheen aanwezige verharding. Voor voorliggende plan is dan ook geen watercompensatie vereist.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in)filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

5.9 Ecologie

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

 

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt binnen de vesting van Brielle. Het plangebied maakt dan ook geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden liggen op ruime afstand. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Voornes Duin ligt 4 km ten noordwesten van het plangebied. De Brielse Maas is het dichtstbijzijnde NNN-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.vansleenfase5-0120_0018.png"

Figuur 5.3: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Het plangebied ligt in de kern van Brielle, buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies, versnippering en verandering van de waterhuishouding zijn uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden kan ook verstoring worden uitgesloten. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000. De verkeersgeneratie is echter dermate beperkt (circa 350 mvt/etmaal) en verdeelt zich snel over het wegennet dat op de wegen ter plaatse van Natura 2000 (> 4 km afstand van het plangebied) geen sprake zal zijn van een meetbare toename van de stikstofdepositie. Significant negatieve effecten worden uitgesloten.

De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van een quick scan (zie bijlage 1). Samengevat kunnen de volgende conclusies getrokken worden. In verband met het de aanwezigheid van algemene broedvogels ter plaatse van de voorziene toegangsweg is het van belang om rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). De aanwezigheid van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. In het gebied foerageren en vliegen mogelijk vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren en vliegen. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Er kunnen algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig zijn. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid-Holland. Voor overige soort(groep)en is het gebied volledig ongeschikt.

Bovenstaande resultaten komen overeen met de resultaten van de onderzoeken uit 2015 (Adviesbureau

Mertens, 2015) behorende bij het bestemmingsplan 'Burgemeester H. van Sleenstraat fase 2 t/m 5'. De reden hiervan is dat de ecologische situatie in het gebied van fase 5 niet wezenlijk is veranderd. Daarnaast komt het wettelijk kader van de Flora- en faunawet overeen met de Wet

natuurbescherming, omdat de Vogel- en Habitatrichtlijn opnieuw zijn geïmplementeerd in het nationaal recht; de richtlijnen zijn hierbij kaderstellend. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen van de woonbebouwing van fase 5 aan de Burgemeester H. van Sleenstraat te Brielle zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.10 Onderzoeksplicht vanwege mer-wetgeving

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 44 woningen voor ouderen en 28 intramurale pg-woningen/eenheden (bewoners met zowel geriatrische als somatische zorgbehoefte) met bijbehorende voorzieningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is, zie bijlage 5 waarin de aanmeldnotitie is opgenomen. Hieronder wordt een beknopte beoordeling weergegeven.

Kenmerken van het project

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 44 woningen voor ouderen en 28 intramurale pg-woningen/eenheden (bewoners met zowel geriatrische als somatische zorgbehoefte) met bijbehorende voorzieningen. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedelijke structuur van Brielle. In een plaats met circa 6.930 woningen en een oppervlakte van circa 2.756 hectare is de omvang van het project relatief klein. De kenmerken van het effect rechtvaardigen geen MER.

Plaats van het project

Het plangebied ligt niet in een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000-gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk. De locatie ligt binnen de stedelijke structuur van Brielle, op een locatie die in het recente verleden al in gebruik was en was bebouwd voor stedelijke functies. De plaats van het project rechtvaardigt geen MER.

Kenmerken potentiële effecten

Een woningbouwlocatie heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. Te verwachten effecten hangen samen met de verkeersaantrekkende werking en mogelijk veranderingen in de waterhuishouding (toename verharding). Gezien de voormalige inrichting van de locatie en de ligging hiervan aan de hoofdinfrastructuur van Brielle, zijn er geen effecten aan de orde die een MER rechtvaardigen. Bij de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in het bestemmingsplan wordt nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving.

Conclusie

Gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten kan worden geconcludeerd dat er hiermee geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Planregels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 zijn de inleidende bepalingen opgenomen, hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsbepalingen. Verder zijn in hoofdstuk 3 de algemene regels opgenomen en tot slot staan in hoofdstuk 4 de slot- en overgangsregels. Per hoofdstuk wordt hieronder nader ingegaan op de regels.

6.1.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.

6.1.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De bestemmingsbepalingen zijn opgezet volgens een vaste volgorde, die is vastgelegd binnen de SVBP. Alle bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • een bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;

en in sommige gevallen:

  • afwijking van de bouwregels;
  • nadere eisen;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Hieronder zijn de verschillende artikelen toegelicht. Allereerst komen de enkelbestemmingen aan bod die de primaire functies van de gronden aangeven. Daarnaast zijn er ook dubbelbestemmingen opgenomen, waarin de bescherming van de (verwachte) archeologische en de cultuurhistorische waarden worden geregeld. Deze dubbelbestemmingen moeten tevens in acht worden genomen op de gronden waar deze van toepassing zijn.

Artikel 4 Groen

Deze bestemming is opgenomen voor de structurele groenelementen binnen het plangebied. Hierbinnen zijn groen en water mogelijk. Daarnaast zijn binnen deze bestemming speelvoorzieningen, voet- en fietspaden toegestaan.

De bestaande waarden dienen hier te worden behouden en eventueel te worden hersteld. Daarnaast is voor de vesting een specifieke aanduiding opgenomen voor behoud en herstel van cultuurhistorische waarden. Dit is opgenomen ten behoeve van vestingwerken. De regeling is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

Artikel 3 Gemengd

De zorglocatie (fase 5) heeft een gemengde bestemming gekregen. Binnen deze bestemming is rekening gehouden met de woonfunctie en zijn tevens aan-huis-gebonden beroepen toegestaan. Het maximum aantal woningen is vastgesteld op 44.

Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. De hoogte van het gebouw wordt gevormd door twee bouwlagen, waarbij een deel van het gebouw in drie bouwlagen mag worden gerealiseerd.

Artikel 5 Verkeer

Deze bestemming is opgenomen voor de openbare wegen (en pleinen). De regeling is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 1

Artikel 6 Waarde - Archeologie 1

Op basis van het archeologische beleid van de gemeente zijn aan het plangebied dubbelbestemmingen toegekend. Met deze dubbelbestemmingen wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Binnen het plangebied is er sprake van archeologische verwachtingswaarden 1. De regeling is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorie 2

Artikel 8 Waarde - Cultuurhistorie 3

Het plangebied is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Door de aanwijzing wordt de stedenbouwkundige structuur en de uitstraling van gebouwen en andere bouwwerken beschermd. Voor zover dit voor het hele plangebied (of een gedeelte daarvan) van toepassing is, is dit opgenomen binnen deze bestemming.

In zijn algemeenheid geldt dat binnen de bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 1 striktere eisen gelden dan binnen de bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 2 en 3. De bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 1 is immers opgenomen voor het historisch kerngebied en heeft daarom meer waarden die beschermd moeten worden.

Op basis van de bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 2 is een nieuwe bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 3 toegevoegd voor fase 5 in het zuidelijke deel van het plangebied. Deze fasen wordt, met inachtneming van het positieve advies van de Monumentencommissie hierover, niet afgedekt met een kap.

Het is mogelijk af te wijken van de verschillende bouwregels. In zijn algemeenheid geldt dat dit alleen mogelijk is indien de waarden van het beschermd stadsgezicht niet worden aangetast. De afwijking is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

Artikel 9 Waterstaat - Waterkering

Een deel van de vesting heeft een functie als regionale waterkering (het fungeert als compartimenteringsdijk - zie tevens paragraaf 5.8). Deze is opgenomen met de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Het doel van deze bestemming is ervoor te zorgen dat de waterkering wordt beschermd. Dit betekent kortweg dat er uitsluitend mag worden gebouwd indien de waterkeringsbelangen niet worden geschaad. De regeling is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

6.1.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Antidubbeltelregel

Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 11 Algemene bouwregels

De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden. Voorts zijn in dit artikel regels opgenomen voor bestaande afwijkingen van voorgeschreven maten en is een regel opgenomen met betrekking tot de afstemming met de Keur van het waterschap. In dit artikel is tevens opgenomen dat de parkeernormen zoals opgenomen in de publicaties van CROW van toepassing zijn.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel zijn alle afwijkingsregels opgenomen die voor het gehele plangebied van toepassing zijn.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels

Dit artikel betreft alle wijzigingsbevoegdheden die voor het gehele plangebied van toepassing zijn. Dit betreft de (beperkte) overschrijding van bestemmingsgrenzen.

Artikel 14 Overige regels

Indien verwezen wordt naar andere (wettelijke) regelingen dan is in dit artikel bepaald dat deze dienen te worden gelezen als op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp plan.

6.1.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan;

Artikel 16 Slotregel

Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

De gronden zijn in eigendom van de gemeente en conform de koopovereenkomst d.d. 26 juli 2017 gesloten tussen de gemeente Brielle en de Catharina Stichting (Stichting voor wonen, zorg en welzijn, westelijk Voorne) worden deze overgedragen. Daarmee zijn de kosten van de gemeente anderszins verzekerd. Er zal voor dit bestemmingsplan dan ook geen exploitatieplan worden vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente is daarmee financieel haalbaar.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Inspraak

Het voorontwerp van het bestemmingsplan "Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 5" heeft van 17 november 2017 tot en met 7 december 2017 ter inzage gelegen. Tijdens de termijn van terinzageligging zijn inspraakreacties ingediend. In de 'Nota inspraakreacties voorontwerpbestemmingsplan Burgemeester H. van Sleenstraat, fase 5', zie bijlage 4, zijn de ontvangen inspraakreacties samengevat en beantwoord. De inspraakreacties geven geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.

7.2.2 Overleg

Gelijktijdig met de inspraak als bedoeld in 7.2.1 is het voorontwerpbestemmingsplan naar de wettelijke overlegpartners verstuurd. Het verslag van het overleg is eveneens opgenomen in bijlage 4.