direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Geuzenstraat 16
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Het gemeentelijk monument de Geuzenkerk aan de Geuzenstraat 16, voorheen in gebruik als aannemersbedrijf, staat op dit moment leeg. Er ligt een initiatief om de Geuzenkerk met bijbehorend hoofdgebouw om te bouwen tot woningen. Het hoofdgebouw zal hiervoor gesloopt en opnieuw opgebouwd worden. De beoogde ontwikkeling voorziet in 4 woningen uit het duurdere prijssegment.

Het voorgenomen initiatief past niet binnen het vigerend bestemmingsplan 'Vesting'. De gemeente Brielle staat echter positief tegenover de beoogde ontwikkeling. Het voorliggend bestemmingsplan omvat het nieuwe juridisch-planologisch kader waarbinnen de beoogde ontwikkeling kan plaatsvinden.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. Het plangebied ligt aan de Geuzenstraat, in het noordelijk deel van het centrumgebied van Brielle. Het plangebied wordt omgeven door grondgebonden woningen en aan de achterzijde is het verenigingsgebouw van 'Libertatis Primitiae' gevestigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: Google maps)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan Vesting, dat op 11 december 2012 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 1 februari 2013 onherroepelijk is verklaard. Een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan Vesting is opgenomen in figuur 1.2.

Ter plaatse van het perceel Geuzenstraat 16 geldt de bestemming 'Bedrijf' (paars). Binnen deze bestemming zijn bedrijven uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Tevens gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Cultuurhistorie 1'. Op het perceel rusten ten slotte de gebiedsaanduidingen 'geluidszone - industrie' en 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.

Het perceel wordt omgeven door woonbestemmingen (geel), verkeer (grijs) en een perceel voor maatschappelijke doeleinden (bruin).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan Vesting (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

het realiseren van woningen is niet toegestaan binnen de bestemming 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming is wel een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders onder bepaalde voorwaarden de bestemming Bedrijf kunnen wijzigen naar Wonen en Tuin. De voorgenomen ontwikkeling past echter niet binnen alle genoemde voorwaarden.

Het initiatief is derhalve in strijd met het geldende bestemmingsplan. De gemeente staat echter positief tegenover de beoogde ontwikkeling. Het voorliggend bestemmingsplan biedt een nieuw juridisch- planologisch kader waarbinnen de ontwikkeling kan plaatsvinden.

1.4 Leeswijzer

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een planverbeelding met bijbehorende planregels en een toelichting. De planregels en de planverbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting bestaat uit een planbeschrijving met de relevante onderzoeksresultaten. Tevens wordt hierin verslag gedaan van de maatschappelijke uitvoerbaarheid De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk 1 is de inleiding op het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt het plangebied beschreven en functioneel en ruimtelijk geanalyseerd. In hoofdstuk 3 is het beleid beschreven en wordt het plan getoetst aan relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 4 gaat verder in op het aspect cultuurhistorie. Hoofdstuk 5 gaat verder in op de overige sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling zoals vertaald in de regels en op de verbeelding. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

De Geuzenkerk is een gemeentelijk monument gelegen aan de Geuzenstraat 16. Het plangebied ligt in het noorden van de Vesting Brielle. De kerk is voorheen in gebruik geweest als aannemersbedrijf en staat nu leeg. In 2012 zijn er plannen geweest de kerk te verbouwen tot woningen. Dit initiatief is niet doorgegaan. Voorliggend bestemmingsplan maakt deze ontwikkeling alsnog mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0003.jpg"

Figuur 2.1 Vooraanzicht Geuzenkerk (bron: Wikimedia)

2.2 Beoogde ontwikkeling

Door de uitplaatsing van het aannemersbedrijf komt het gemeentelijk monument vrij voor herontwikkeling. Het monument wordt intern omgebouwd tot twee woningen. Aan de achterzijde, in het verlengde van de voormalige kerk, is een tweede hoofdgebouw beoogd ter vervanging van het huidige kleinere hoofdgebouw. Dit hoofdgebouw zal eveneens ruimte bieden voor twee woningen. In het ontwerp zijn de beide panden ruimtelijk gekoppeld door middel van twee, tussen de hoofdgebouwen in gesitueerde, bergingen.

De goothoogte van de Geuzenkerk bedraagt circa 7,5 meter. De nok ligt op 13 meter en de torenspits reikt tot 17 meter. De nieuwbouw zal bestaan uit twee bouwlagen met een goothoogte van 3 meter en een bouwhoogte van 9 meter. Aan de achterzijde van de woningen is ruimte voor parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0004.jpg"

Figuur 2.2 Aanzichten van de nieuwe situatie (bron: Bouwadvies P.W. Pothof)

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0006.jpg"

Figuur 2.3 Plattegronden nieuwe situatie (bron: Bouwadvies P.W. Pothof)

Zowel via het parkeerterrein achter het plangebied als de Geuzenstraat is het plangebied bereikbaar. Dit parkeerterrein wordt ontsloten via de Arsenaalstraat vanaf de Franschestraat. De woningen worden ieder voorzien van een eigen entree.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig.

In de SVIR wordt het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer aan provincies en gemeenten overgelaten. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Doorwerking

Voor zover relevant, voldoet het onderhavige bestemmingsplan aan de SVIR. Er wordt met dit plan recht gedaan aan de ter plaatse geldende cultuurhistorische waarden. Dit betreffen de Geuzenkerk zelf als gemeentelijk monument en de ligging van het plangebied binnen de Vesting Brielle welke is aangemerkt als een van rijkswege beschermd stadsgezicht. Voor het overige heeft de SVIR een te hoog abstractieniveau voor dit bestemmingsplan.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer ruimtelijke plannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Bij het toetsen van een beoogde ontwikkeling aan de ladder voor duurzame verstedelijking is het provinciale beleid strenger dan het rijksbeleid.

Doorwerking

Omdat de provincie Zuid-Holland een eigen systematiek voor toetsing aan de ladder heeft vastgelegd in de Verordening ruimte 2014, vindt verantwoording met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking plaats in paragraaf 3.3.2.

 

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de SVIR wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament, defensie en de ecologische hoofdstructuur.

Doorwerking

Voor zover relevant, voldoet het onderhavige bestemmingsplan aan het gestelde in het Barro.

3.1.4 Modernisering Monumentenzorg (2010)

Het Rijk zet in op een modernisering van de monumentenzorg. Het behoud en de bescherming van monumenten blijft een belangrijk doel, maar het monumentenstelsel kan op een aantal belangrijke punten worden verbeterd. Belangrijk uitgangspunt voor de moderne monumentenzorg is dat burgers (eigenaren en particulier initiatief) betere participatiemogelijkheden krijgen. Daarnaast wordt de monumentenzorg meer gebiedsgericht en ontwikkelingsgericht. De vele positieve zaken van het huidige stelsel blijven bestaan of worden verbeterd. De visie op moderne monumentenzorg rust op vier pijlers.

Pijler 1: Cultuurhistorie belangrijk element in procedures ruimtelijke ordening

Vroeg in het proces van ruimtelijke ontwikkelingen wordt de cultuurhistorie geïnventariseerd en geanalyseerd. Cultuurhistorische waarden vormen één van de wegingsfactoren bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Bij wijzigingen van het bestemmingsplan wordt het effect van die verandering op de cultuurhistorische waarden afgewogen tegen andere belangen. Burgers kunnen bij belangrijke cultuurhistorische waarden in een vroeg stadium hun inbreng leveren.

Pijler 2: Vermindering regeldruk

Monumentenwetgeving is in het nieuwe stelsel een ontwikkelkracht. Borging van de cultuurhistorie vooraan in de ruimtelijke ordening (zie de eerste pijler) is een principiële keuze die erop gericht is om sectorale ingrepen tijdens de ruimtelijke processen overbodig te maken. Het aan monumenten gebonden instrumentarium kan worden verkleind als pijler nummer 1 goed vorm krijgt. Per 1 januari 2012 is de regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen veranderd. Vergunningvrij bouwen is nu ook toegestaan aan gebouwen en op achtererven binnen een beschermd stadsgezicht, mits niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd (en niet zichtbaar vanuit openbaar gebied).

Pijler 3: Efficiënter beheer en financiering bestaande voorraad

De bestaande rijksmonumenten moeten goed beheerd worden. De eigenaar zorgt voor het beheer en de gemeente zorgt voor de begeleiding hiervan. Maatregelen in pijler 3 zijn erop gericht deze partijen optimaal te faciliteren met kennis en bevoegdheden. Er komt toereikende structurele financiering voor restauratie en instandhouding. De groei van het monumentenbestand wordt strikt gereguleerd, binnen de bestaande budgettaire kaders.

Pijler 4. Bevorderen herbestemming en herontwikkeling

De grote opgave voor de komende decennia ontstaat door de leegstand van grote gebouwen zoals kerken, scholen en industriële complexen. Vanwege hun cultuurhistorische waarde kunnen ze een inspiratiebron zijn voor herontwikkelingsplannen. Planvorming bij herbestemming duurt soms jaren en leegstand tast het gebouw aan. Het beleid in deze pijler is erop gericht de gebouwen in de planperiode tegen verloedering te beschermen en om een financieel instrumentarium te bieden voor de exploitatie van de gebouwen. Dit is een vernieuwende blik op de subsidies in de monumentenzorg. Belangrijk element in de voorstellen voor het nieuwe stelsel is dat de cultuurhistorie vroeg in het ontwikkelingsproces wettelijk geborgd wordt. Cultuurhistorische waarden vormen één van de wegingsfactoren bij het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan. Landschap en cultuurhistorie vormen zo een inspirerende kracht in ruimtelijke procedures in plaats van een beperkende voorwaarde. Het vertalen van het verleden naar het heden moet voor ontwerpers en ontwikkelaars verankerd raken in hun denk- en werkwijze. Deze aanpak past in de systematiek van ruimtelijke ordeningsprocedures waarbij vooraf wordt aangegeven wat de kaders zijn, waardoor minder toetsing achteraf nodig is. Door het instrumentarium in het nieuwe monumentenstelsel af te stemmen op de Wro (Wet ruimtelijke ordening), werkt de rijksaanpak eenduidig door naar lagere overheden.

Doorwerking

De planontwikkeling voorziet in het behoud van de Geuzenkerk als cultuurhistorisch erfgoed door middel van transformatie en herontwikkeling. Bij de planontwikkeling is rekening gehouden met het behoud van de cultuurhistorische waarde van de voormalige kerk zelf en van de Vesting Brielle. De uiterlijke verschijningsvorm van de kerk blijft behouden en de beoogde nieuwbouw past binnen de welstandseisen van de gemeente Brielle.

3.1.5 Wet op de Archeologische Monumentenzorg

In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en het is in 1995 in werking getreden. De doelstelling van het Verdrag van Malta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De inhoud van het Verdrag van Malta is neergelegd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg die op 1 september 2007 van kracht is geworden en een wijziging van de Monumentenwet 1988 tot gevolg heeft gehad. Op grond van deze aangescherpte regelgeving stellen Rijk en provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient vooraf aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 -2008, de Nota Belvedère, het Structuurschema Groene Ruimte 2, de Nota Ruimte, de Wijziging van de Monumentenwet 1988 en diverse publicaties van het Ministerie ven OC&W. Doelstelling van het Verdrag van Malta en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen, zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

Doorwerking

Het aspect archeologie komt aan de orde en wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 Cultuurhistorie.

3.1.6 Beschermd stadsgezicht

In 1975 hebben de toenmalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de binnenstad van Brielle en de naaste omgeving aangewezen tot beschermd stadsgezicht ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet (destijds artikel 20). De vesting is daarbij aangemerkt als 'een samenhangende groep roerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen, bruggen, vaarten, grachten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens schoonheid of het karakter van een geheel'. In een bestemmingsplan voor een beschermd gebied worden de cultuurhistorische waarden door middel van stedenbouwkundige en juridische maatregelen gewaarborgd. Op basis van artikel 37 van de Monumentenwet is het verboden in beschermde stadsgezichten een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag.

Doorwerking

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het beschermd stadsgezicht van de Vesting Brielle. Met de voorgenomen herontwikkeling worden de uiterlijke verschijningsvorm van de monumentale kerk weer in ere hersteld en blijft daarmee zichtbaar als historisch element binnen de vesting Brielle. Toetsing van het initiatief aan het beschermd stadsgezicht is verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 Cultuurhistorie.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Onderdeel van de VRM zijn de Verordening ruimte 2014, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

4 rode draden

In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

1. Beter benutten en opwaarderen

De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compact ruimtegebruik.

2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)

Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.

3. Versterken ruimtelijke kwaliteit

Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren.

De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.

4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving

In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.

Voorne-Putten

De gemeente Brielle maakt deel uit van de regio Voorne-Putten. Voorne-Putten is een eiland met zowel een stedelijk als een landelijk karakter. Voorne-Putten maakt deel uit van de Zuidvleugel en daarmee van het stedelijk netwerk. Het eiland vormt een combinatie van het zeekleipolderlandschap, veenpolderlandschap, duinlandschap en buitendijks natuurlandschap. Hoewel het gebied een eenheid vormt, is de diversiteit van het eiland kenmerkender dan de samenhang. De grote variatie in landschap en mate van verstedelijking maken de samenhang minder herkenbaar.

Verrommeling van het eiland en nivellering van de landschappen liggen op de loer. Een grote opgave is dan ook een helder perspectief te scheppen, met een eigen identiteit voor Voorne-Putten. Dit perspectief ligt in een samenhangend, divers, kwalitatief hoogwaardig recreatieaanbod in combinatie met de toeristische kwaliteiten van de historische kernen en de badplaatsen in het natuurgebied van Voornes Duin. Het plangebied ligt in vesting van Brielle, een historische kern.

Doorwerking

Het plan haakt aan bij het in de VRM genoemde thema beter benutten en opwaarderen van wat er is. De planontwikkeling voorziet in het behoud van de Geuzenkerk door middel van transformatie en herontwikkeling. Het initiatief draagt daarmee direct bij aan het behoud van de karakteristieke bebouwing en eigen identiteit van de historische kern van Brielle.

3.2.2 Verordening ruimte 2014

In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor het bestemmingsplan zijn artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking en artikel 2.3.5 Bescherming molenbiotoop relevant.

Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die:
      • gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld;
      • passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
      • zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Doorwerking

De realisatie van 4 woningen wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Wanneer dit wel zo zou zijn, dan is er sprake van een behoefte die grotendeels door transformatie van een bestaand pand in het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) wordt opgelost. Zie hiervoor figuur 3.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0007.jpg"

Figuur 3.1 Uitsnede visiekaart met projectgebied in rood (bron: provincie Zuid-Holland)

Artikel 2.3.5 Bescherming molenbiotoop

Lid 1 Molenbiotoop

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 9 Cultureel erfgoed, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. binnen een straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • b. binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:
    • 1. als de molen is gelegen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    • 2. als de molen is gelegen in het gebied binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    • 3. als de onder i en ii bedoelde molenbeschermingszone zowel binnen als buiten bestaand stads- en dorpsgebied is gelegen, dan geldt het volgende:
      • molen buiten bestaand stads- en dorpsgebied: tot de grens van bestaand stads- en dorpsgebied geldt de 1 op 100-regel; de toegestane bebouwings- en beplantingshoogte op deze grens is het vertrekpunt voor de 1 op 30-lijn; vanaf dit punt wordt een schuine lijn getrokken met een stijging van steeds 1 meter hoogte per 30 meter afstand.
      • molen binnen bestaand stads- en dorpsgebied: binnen en tot de grens van bestaand stads- en dorpsgebied geldt de 1 op 30-regel; de toegestane bebouwings- en beplantingshoogte op deze grens wordt buiten bestaand stads- en dorpsgebied horizontaal doorgetrokken tot daar, waar op grond van de berekening voor een molen buiten het bestaand stads- en dorpsgezicht een grotere hoogte kan worden toegestaan berekend vanuit de 1 op 100-lijn; vanaf dit punt wordt een schuine lijn getrokken met een stijging van steeds 1 meter hoogte per 100 meter afstand;

Doorwerking

Het plangebied ligt op circa 250 meter van molen de 't Vliegend Hert en daarmee binnen de invloedssfeer. Toetsing aan de molenbiotoop van 't Vliegend Hert is niet van toepassing, aangezien de goot- en bouwhoogten van de voormalige kerk niet zullen toenemen en het tweede hoofdgebouw aan de achterzijde geen invloed heeft op de te behouden windvang.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Brielle

Op 8 december 2009 is door de gemeenteraad van Brielle de structuurvisie Brielle vastgesteld. In de structuurvisie zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en het ruimtelijk beleid verankerd. Doelstelling van de structuurvisie is het bieden van een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een ruimtelijke structuur die bijdraagt aan:

  • goed kunnen wonen en leven in de gemeente;
  • de cultuurhistorische identiteit van Brielle;
  • een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling.

De inhoud van de structuurvisie wordt vormgegeven aan de hand van 9 ambities. Van deze ambities is het onderwerp 'woningbouw' van belang voor de onderhavige ontwikkeling. Naast duurzame invulling van het woningbouwprogramma, zet de gemeente eveneens in op een gedifferentieerde en vraaggerichte woningbouw, waarbij ook het bouwen van woningen in het duurdere segment nodig is.

Vesting

Het plangebied maakt onderdeel uit van De Vesting van Brielle. De Vesting van Brielle is specifiek benoemd in de structuurvisie. Aangegeven is dat de vesting grote cultuurhistorische en recreatieve waarde en karakteristieke ruimtelijke kwaliteiten heeft. Het koesteren en versterken van de cultuurhistorische waarde en karakteristieke ruimtelijke kwaliteit staat centraal. Daarnaast is het beleid voor de vesting gericht op:

  • recreatieve waarde benutten/vergroten: het beleefbaar maken van cultuurhistorie en archeologische resten;
  • een goede woon- en leefomgeving (mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering nagaan);
  • het in stand houden en versterken van het huidige voorzieningenniveau, waaronder renovatie/nieuwbouw van bestaande primair onderwijsaccommodaties;
  • behouden van aanwezige horeca en detailhandel;
  • een verkeersveilige woon- en leefomgeving (herinrichting van wegen en aanpakken onveilige kruispunten);
  • zo mogelijk uitplaatsing van de onderwijsaccommodaties voor speciaal onderwijs naar een locatie buiten de vesting.

Doorwerking

Het planvoornemen voorziet naast vervanging van het hoofdgebouw in de transformatie van de voormalige Geuzenkerk naar woningen in het duurdere segment. Met de voorgenomen herontwikkeling worden de uiterlijke verschijningsvorm van de monumentale kerk weer in ere hersteld en blijft daarmee zichtbaar als historisch element binnen de vesting Brielle. Hiermee draagt het bij aan het beleefbaar maken van cultuurhistorie in de vesting en het verbeteren van het lokale woon- en leefklimaat.

3.3.2 Kwaliteitsnota Vesting (2012)

Richtlijnen die architectonisch van aard zijn, zijn opgenomen in de Kwaliteitsnota. De Kwaliteitsnota is vastgesteld als onderdeel van het welstandsbeleid en heeft een volwaardige plek bij de toetsing van bouwplannen.

In de nota zijn voorwaarden opgenomen ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken. Daarbij gaat het om zaken zoals materiaal- en kleurgebruik van gevels en daken te regelen. Daarnaast zijn gevelindeling, ornamenten en detaillering ook zaken die in het kader van welstand worden geregeld.

Doorwerking

Het plan is in lijn met de Kwaliteitsnota Vesting en zal voor vergunningverlening door de welstand getoetst worden aan de uitgangspunten van de nota.

3.4 Conclusie

Het bestemmingsplan is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied en is gericht op de ontwikkeling van woningen in een monumentaal gebouw en de bouw van een tweede hoofdgebouw op het achtererf. Het monumentale hoofdgebouw wordt daarbij intact gelaten. De bestaande cultuurhistorische kwaliteiten worden via de regels van het bestemmingsplan en de Kwaliteitsnota Vesting gewaarborgd. De molenbiotoop van 't Vliegend Hert is niet van toepassing, aangezien de goot- en bouwhoogten van de voormalige kerk niet zullen toenemen en het tweede hoofdgebouw aan de achterzijde geen invloed heeft op de te behouden windvang.

Het voorliggend bestemmingsplan voldoet het aan het beschreven beleidskader.

Hoofdstuk 4 Cultuurhistorie

4.1 Beschermd stadsgezicht

Op 15 september 1975 hebben de toenmalige ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de binnenstad van Brielle en de naaste omgeving aangewezen tot beschermd stadsgezicht van de Monumentenwet (destijds artikel 20). De vesting Brielle is daarbij aangemerkt als 'een samenhangende groep onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen, bruggen, vaarten, grachten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel'. Bij beschermde stads- en dorpsgezichten zou men dan ook kunnen spreken van 'stedenbouwkundige' monumenten, waarbij de nadruk valt op het historische plan van aanleg.

In een bestemmingsplan voor een beschermd gebied dient de bescherming van de cultuurhistorische waarden door middel van stedenbouwkundige en juridische maatregelen gewaarborgd te worden. Dit betekent dat regels ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van opstallen en onbebouwde gronden gericht zullen moeten zijn op veiligstelling van de cultuurhistorische waarden. In elk geval dienen zij zo opgesteld te worden, dat een zorgvuldige beoordeling en inpassing van bouwwerken, andere werken en werkzaamheden, alsmede een grondige afweging van belangen verzekerd zijn. Het is daarbij echter in geen geval de bedoeling om het gebied waarvoor het beschermd gezicht geldt te 'bevriezen'. Er wordt wel naar gestreefd noodzakelijke of wenselijke veranderingen zo te doen plaatsvinden, dat zij qua aard, schaal en sfeer passen in de historische karakteristiek van het stadsgezicht.

In de aanwijzing is de binnenstad in drie zones ingedeeld, te weten zone A, B en C. Het plangebied valt in 'zone B', waar het patroon van straten en wateren, het profiel, de groenvoorzieningen, de toegepaste materialen in de openbare ruimten en de schaal en differentiatie van de bebouwing als aanwezige waarden zijn benoemd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0008.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0009.jpg"

Figuur 4.1 Zones beschermd stadsgezicht (bron: gemeente Brielle)

Doorwerking en conclusie

Het plangebied betreft de oude Geuzenkerk. Met name de waarden 'het profiel van de straat', 'de toegepaste materialen in de openbare ruimten' en 'de schaal en differentiatie van de bebouwing' zijn relevant. Het monument wordt enkel intern verbouwd. De hiervoor beschreven waarden blijven daarmee in tact. De regels van het bestemmingsplan (met name via de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 1') zorgen ervoor dat de tot nu toe onaangetaste waarden ook in de toekomst behouden blijven.

4.2 Archeologie

Inleiding

De vesting van Brielle heeft een waardevol bodemarchief. Uit archeologisch onderzoek is duidelijk geworden dat het middeleeuwse veengebied, waaruit het plangebied bestond, vanaf de 9e-10e eeuw is ontgonnen.

Brielle is ontstaan vanuit twee afzonderlijke parochies langs de dijk die nu nog in de stad is te herkennen, de Voorstraat en de Nobelstraat. De eerste lay-out van de stad binnen de 14e-eeuwse stadsgrachten en -muren wijzigt zich in de 17e-18e eeuw bij moderniseringen van de vestingwerken. Op basis van de ontstaansgeschiedenis van de vesting van Brielle bestaat er een redelijk grote kans op het aantreffen van archeologisch waardevolle sporen.

Regelgeving en beleid

Monumentenwet

De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Beleidsplan "Koers vastgelegd"

De gemeente Brielle heeft haar eigen archeologiebeleid ontwikkeld. De gemeente Brielle heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld. Bij de beleidsnota hoort ook een archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Er zijn drie categorieën opgenomen voor de verwachtingswaarde. Per verwachtingswaarde gelden uitgangspunten voor nader onderzoek.

Ter plaatse van het plangebied geldt verwachtingswaarde '2'. De gemeente Brielle stelt de onderzoeksgrens voor 'Waarde - Archeologie - 2' vast op 30 m² met een maximaal toegestane verstoringsdiepte van 30 cm. Kleine(re) bodemverstoringen – bijvoorbeeld de bouw van een schuur of serre – blijven daarmee mogelijk zonder vooronderzoek. Bij een iets substantiëlere verstoring (groter dan 30 m² en dieper dan 30 cm) is vooronderzoek hier evenwel verplicht. Hierbij is de verhouding tussen archeologisch resultaat en opgelegde vergunningplichten belangrijk om in het oog te houden.

Doorwerking en conclusie

Bij een verstoringsomvang groter dan 30 m² en met een diepte van meer dan 30 cm dient archeologisch vooronderzoek uitgevoerd te worden. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'.

In februari 2013 is door RAAP Archeologisch Adviesbureau een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen kan worden geconcludeerd dat bij de realisatie van de plannen archeologische resten zullen worden verstoord. Door de gemeente wordt geadviseerd om de sloop archeologisch te begeleiden en, indien nodig, direct een doorstart te maken met een begeleiding protocol opgraving of een opgraving. Dit advies wijkt af van de in het rapport geadviseerde proefsleuvenonderzoek (waarbij daarna misschien ook nog een opgraving nodig is). Eventuele vondsten die worden gedaan tijdens de werkzaamheden vallen onder de meldingsplicht zoals vastgelegd in artikel 53 van de Monumentenwet 1988.

4.3 Monumenten

De Geuzenkerk is aangewezen als gemeentelijk monument. Gemeentelijke monumenten dragen samen met de aangewezen rijksmonumenten bij aan de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht van Brielle en zijn een belangrijk onderdeel van het cultureel erfgoed van de gemeente Brielle.

De in de gemeentelijke verordening opgenomen gemeentelijke monumenten worden beschermd in het kader van de Monumentenwet. Verbouw of sloop van deze gebouwen is slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. De gemeente is van mening dat de monumenten ingevolge deze wetgeving voldoende zijn beschermd. Daarom is er geen nadere regelgeving opgenomen toegespitst op de monumenten in dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Sectorale onderzoeken

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de sectorale onderdelen die van belang zijn voor het bestemmingsplan.

5.1 Verkeer en parkeren

Beleid en normstelling

De verkeersgeneratie van een ontwikkeling wordt bepaald op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). De parkeerbehoefte van de ontwikkeling wordt eveneens bepaald op basis van kencijfers uit dezelfde publicatie van het CROW. Parkeren dient zoveel mogelijk op eigen terrein voorzien te worden.

Onderzoek

Ontsluitingsstructuur

Ontsluiting gemotoriseerd verkeer

Het plangebied is gelegen aan de Geuzenstraat. Het parkeerterrein achter het plangebied vormt de hoofdtoegang tot het plangebied. Dit parkeerterrein wordt ontsloten via de Arsenaalstraat vanaf de Franschestraat. De Franschestraat sluit enerzijds aan op de Voorstraat en anderzijds op de Lijnbaan. De Franschestraat is een eenrichtingsweg die leidt naar de Lijnbaan.

De Lijnbaan is in twee richtingen te berijden en leidt in noordelijke richting naar de Geuzenstraat. De Geuzenstraat is een eenrichtingsweg en leidt naar de Voorstraat die ook slechts in één richting te berijden is. De Voorstraat leidt in noordelijke richting naar de Maarland Zuidzijde en Maarland Noordzijde. Zowel de Maarland Noord- als Zuidzijde is in het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) 2009-2020 aangewezen als hoofdverkeerscirculatie binnen de vesting (Brielle, 2009). In zuidelijke richting leidt de Lijnbaan via de Kaaibrug naar de Kaaistraat/Oostdam/Thoelaverweg. De Kaaistraat/Oostdam/Thoelaverweg vormt één van de vijf externe ontsluitingsroutes van de vesting en sluit aan op de N218. Via de N218 kan de N57 (Middelburg-Rozenburg) bereikt worden.

De wegen in de gemeente Brielle zijn conform Duurzaam Veilig gecategoriseerd. Zo zijn alle wegen binnen de vesting Brielle erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/h. De N218 is een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/h nabij de bebouwde kom van Brielle en 80 km/h buiten de bebouwde kom.

Ontsluiting openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde openbaarvervoerhalte is gelegen langs het Slagveld op loopafstand van het plangebied. Vanaf de Lijnbaan leidt een brug, alleen toegankelijk voor het langzaam verkeer, naar het Slagveld. Vanaf deze halte rijdt met een lage frequentie een buurtbus via Brielle tussen Vierpolders en Tinte. De buurtbus doet onder andere busstation Rugge aan, vanwaar bussen met een hogere frequentie naar omliggende kernen zoals Rozenburg, Hellevoetsluis, Spijkenisse, Oostvoorne en Rockanje rijden. In Spijkenisse wordt aangesloten op het metronetwerk van Rotterdam.

Ontsluiting langzaam verkeer

Het fietsverkeer wordt op de Geuzenstraat, net als op andere wegen binnen de vesting, gemengd met het gemotoriseerde verkeer afgewikkeld. Dit is conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig voor erftoegangswegen. De fietsroutes vanuit de vesting sluiten aan op de N218. Langs de N218 liggen vrijliggende fietspaden die in twee richtingen bereden worden. Een andere ontsluiting voor fietsverkeer voert via het noordelijk deel van de vesting en via een vrijliggend fietspad langs het Brielse Meer richting het oosten.

Binnen de vesting zijn op strategische plaatsen voet- en fietsbruggen aanwezig ten behoeve van de kruising van de havens. Fietsers kunnen de eenrichtingswegen in twee richtingen berijden. Hierdoor hebben fietsers binnen de vesting directere routes dan het gemotoriseerde verkeer.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

In de huidige situatie hebben de voormalige kerk en het achterliggende gebouw een bedrijfsbestemming. Het achterliggende gebouw wordt vervangen door een groter tweede hoofdgebouw dat samen met de kerk ruimte zal gaan bieden aan vier woningen. Deze wijziging van gebruik kan effect hebben op de verkeersafwikkeling.

Om de verkeersafwikkeling te beoordelen, is de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt door de huidige verkeersgeneratie af te zetten tegen de toekomstige verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van kencijfers van CROW. Hierbij is voor de huidige situatie uitgegaan van de minimale verkeersgeneratie en voor de toekomstige situatie van maximale verkeersgeneratie, dit is een worstcasescenario.

De kencijfers van CROW zijn onder andere afhankelijk van de stedelijkheid van een gemeente. Het plangebied ligt in de gemeente Brielle. Deze gemeente is volgens CBS een weinig stedelijke omgeving (statline.cbs.nl). Aangezien voorliggend plan in de vesting van Brielle ligt, valt het plangebied in de categorie 'centrumgebied' van CROW (publicatie 317, CROW-2012).

Huidige verkeersgeneratie

Het aannemersbedrijf heeft een oppervlakte van circa 220 m² bvo. De verkeersgeneratie bedraagt volgens CROW minimaal 6,3 mvt/weekdagetmaal per 100 m² bvo uitgaande van een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf (publicatie 317, CROW-2012). Om de verkeersgeneratie voor een werkdag te verkrijgen dient met een factor van 1,33 te worden omgerekend. Voor een weekdag komt de verkeersgeneratie uit op circa 15 mvt/etmaal en voor een werkdag op circa 20 mvt/etmaal.

Toekomstige verkeersgeneratie

Binnen het plangebied worden 4 woningen gerealiseerd in het dure prijssegment. Hiervoor geldt een verkeerskencijfer voor een weekdag van maximaal 7,6 mvt/etmaal per woning (publicatie 317, CROW-2012). Om de verkeersgeneratie voor een werkdag te verkrijgen dient met een factor van 1,11 te worden omgerekend. Hiermee komt de totale verkeersgeneratie voor een weekdag uit op circa 30 mvt/etmaal en voor een werkdag van circa 35 mvt/werkdagetmaal.

Verkeersafwikkeling

Als gevolg van de ontwikkeling zal de verkeersgeneratie gering wijzigen. Geconcludeerd wordt dat de verkeersgeneratie geen significante gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling op de huidige infrastructuur.

Parkeren

De nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot een wijziging van de parkeerbehoefte. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte verwijst het Gemeentelijk Verkeer- en VervoerPlan (GVVP) naar de parkeerkencijfers van de ASVV. De ASVV geeft per functie minimale en maximale parkeerkencijfers. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is uitgegaan van het gemiddelde kencijfer van de ASVV.

Huidige parkeerbehoefte

Voor het aannemersbedrijf is uitgegaan van een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf, hiervan bedraagt de gemiddelde parkeerbehoefte volgens de ASVV 1,6 parkeerplaats per 100 m2 bvo (ASVV-2012). Voor een aannemersbedrijf van circa 220 m2 komt dit neer op een parkeerbehoefte van 4 parkeerplaatsen.

Toekomstige parkeerbehoefte

Voor woningen in het dure segment bedraagt de gemiddelde parkeerbehoefte volgens de ASVV 1,6 parkeerplaats per woning (ASVV-2012). Voor vier woningen komt dit neer op een parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen.

Geconcludeerd wordt dat de parkeerbehoefte met 3 parkeerplaatsen toeneemt. Volgens het beleid van de gemeente Brielle dienen deze parkeerplaatsen in principe op eigen terrein te worden opgelost. De extra parkeerbehoefte wordt opgevangen door parkeren op eigen terrein aan de voorzijde van de kerk, aan de Geuzenstraat.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is voor verschillende modaliteiten goed te noemen. De huidige infrastructuur zal het verkeer ten behoeve van voorliggend plan kunnen afwikkelen.

5.2 Industrielawaai

Beleid en normstelling

Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er binnen de 50 dB(A)-contour, de zonegrens van het industrieterrein, geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidsgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).

Onderzoek

Het plangebied ligt binnen de geluidszone van industrieterrein Europoort-Maasvlakte (zie figuur 5.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0010.png"

Figuur 5.1 Deel gezoneerd industrieterrein Europoort-Maasvlakte (geblokte arcering) met bijbehorende zonegrens (rood). Het gebied tussen het industrieterrein en de zonegrens is de geluidszone

Door de milieudienst DCMR zijn bouwplantoetsingscontouren voor de gemeente Brielle berekend. Uit deze contouren blijkt dat ter plaatse van de planlocatie geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai (50 dB(A)). Het vaststellen van hogere waarden is om deze reden niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de ligging van het plangebied binnen de geluidszone van het industrieterrein Maasvlakte-Europoort geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan.

5.3 Wegverkeerslawaai

Beoogde ontwikkeling

Binnen het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelige functie en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Beleid en normstelling

Normstelling

Op grond van de Wgh bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als richtwaarde gehanteerd en geldt de uiterste grenswaarde (binnenstedelijke situatie) van 63 dB als maximaal aanvaardbare waarde.

Aftrek ex artikel 110g Wgh

Krachtens artikel 110g van de Wgh mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Op alle hierna genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast.

Onderzoek

Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van gezoneerde wegen, maar wel binnen de invloedssfeer van de niet gezoneerde Geuzenstraat. Ten gevolge van verkeer op deze weg is de geluidsbelasting berekend. Voorliggend akoestisch onderzoek is uitgevoerd middels Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012.

Verkeersgegevens

Ten behoeve van dit onderzoek zijn verkeersgegevens noodzakelijk. Echter, voor de Geuzenstraat zijn geen verkeersintensiteiten bekend bij de gemeente Brielle. Daarom is op basis van de karakteristieken van de weg en de omliggende functies een inschatting gemaakt van de verkeersintensiteiten. Gezien het eenrichtingsverkeer en de verblijfsfunctie van het gebied is uitgegaan van een verkeersintensiteit van 750 mvt/weekdagetmaal in het jaar 2024.

Naast verkeersintensiteiten, is voor het akoestisch onderzoek de voertuig- en etmaalverdeling noodzakelijk. Van de Geuzenstraat is geen verdeling bekend zodat is aangesloten bij een standaard verdeling voor een buurtverzamelweg. In tabel 5.1 is de voertuig- en etmaalverdeling opgenomen.

Tabel 5.1 Voertuig- en etmaalverdeling

buurtverzamelweg   dag1)   avond1)   nacht1)   
lichte motorvoertuigen   94,59%   94,59%   94,59%  
middelzware motorvoertuigen   4,76%   4,76%   4,76%  
zware motorvoertuigen   0,65%   0,65%   0,65%  
etmaalverdeling   6,54%   3,76%   0,81%  

1) Dag (7:00 –19:00 uur), avond (19:00 – 23:00 uur) en nacht (23:00 – 7:00 uur)

De maximumsnelheid op de Geuzenstraat bedraagt ter hoogte van het plangebied 30 km/h en de weg is uitgevoerd in elementenverharding in keperverband.

De woningen worden mogelijk gemaakt in het voormalige kerkgebouw en een tweede hoofdgebouw achter de kerk. De kerk is het dichtstbij de Geuzenstraat gelegen gebouw en heeft een maximale hoogte van circa 12 m. De kerk bestaat uit drie bouwlagen, zodat de geluidsbelasting berekend is voor de hoogtes 1,5 m, 4,5 m en 8,5 m. Daarnaast is voor de geluidsberekening de kleinste afstand tussen de woningen en de as van de Geuzenstraat van belang. Tot slot is de objectfractie van belang. De objectfractie is het aandeel bebouwing aan de overzijde van de weg waardoor geluid weerkaatst wordt. Vanwege de bebouwing langs de Geuzenstraat is uitgegaan van een objectfractie van 0,8.

In tabel 5.2 is de kleinste afstand van de woningen tot de omliggende wegen opgenomen en de breedte van de weg.

Tabel 5.2 Afstand tot de weg en wegbreedte, afgerond op hele meters

niet gezoneerde weg   afstand tot de as van de weg (m)   wegbreedte (m)  
Geuzenstraat   6   5  

Resultaten

De SRM-I geluidsberekening is opgenomen in bijlage 2. Uit de geluidsberekening blijkt dat ten gevolge van het verkeer op de Geuzenstraat de geluidsbelasting 51 dB bedraagt op een maatgevende hoogte van 1,5 m. Geconcludeerd wordt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB daarmee met 3 dB wordt overschreden, maar de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB niet.

Maatregelen

Uit het akoestisch onderzoek blijkt de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het verkeer op de Geuzenstraat wordt overschreden. Bezien is of met maatregelen de geluidsbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Hiervoor is een aantal maatregelen denkbaar. Een mogelijkheid is om de functie van de weg, samenstelling van het verkeer of de maximumsnelheid te wijzigen. De Geuzenstraat is een erftoegangsweg en heeft een belangrijke functie om de wijk bereikbaar te houden en dient te worden behouden. Functiewijziging, wijziging van samenstelling of snelheid van het verkeer zijn daarom niet mogelijk en stuiten op overwegende bezwaren van verkeerskundige aard.

Conclusie

Ten gevolge van het verkeer op de Geuzenstraat is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat aan de gevels van de nieuwe woningen. Het aspect wegverkeerslawaai staat de realisatie van de woningen dan ook niet in de weg.

5.4 Milieuzonering bedrijvigheid

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

Onderzoek

Ter plaatse van het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn milieugevoelige functies. Ten zuidwesten van het plangebied is een maatschappelijke bestemming gelegen. Het pand met deze bestemming wordt gebruikt door een muziekvereniging. Het plangebied is gelegen in de binnenstad van Brielle waar de menging van de functies wonen, detailhandel, horeca en maatschappelijk plaatsvindt. In binnenstedelijk gebied is de menging van functies gewenst. De menging van functies vergroot de aantrekkelijkheid van het gebied voor de bewoners. Maatschappelijke functies worden in gemengde gebieden dan ook direct naast woningen aanvaardbaar geacht. Verder zijn er geen bedrijven in de directe omgeving aanwezig die van invloed zijn op de milieusituatie in het plangebied of die door de beoogde ontwikkeling belemmerd worden in hun bedrijfsvoering.

Conclusie

Maatschappelijke functies worden in gemengde gebieden direct naast woningen aanvaardbaar geacht. Ter plaatse van het plangebied is sprake van en goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Beleidsvisie externe veiligheid

Brielle grenst aan het Rotterdamse havenindustriegebied, waar relatief veel risicovolle bedrijven zijn gevestigd en waar sprake is van transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Ook in de gemeente zelf zijn bedrijven gevestigd die relevant zijn en vindt er transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dit heeft tot gevolg dat een deel van de gemeente Brielle in het invloedsgebied ligt van één of meer risicobronnen. Dit betekent dat bij veel ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente aandacht besteed moet worden aan het onderwerp externe veiligheid.

In de wet- en regelgeving wordt ruimte gelaten voor een afweging van enerzijds de risico's en anderzijds de overige maatschappelijke belangen. In deze belangenafweging zit beleidsvrijheid voor de gemeente. Om deze afweging te kunnen maken legt de gemeente Brielle in de beleidsvisie externe veiligheid voor het aspect externe veiligheid met afspraken de grenzen van het speelveld vast voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

Onderzoek

Uit de Visie externe veiligheid Brielle blijkt dat in het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de veiligheidssituatie in het plangebied.

Conclusie

Er wordt voldaan aan de beleid en normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.6 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 5.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
Stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  Uurgemiddelde concentratie   Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³  
Fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek en conclusie

De ontwikkeling in het plangebied is met de realisatie van maximaal 4 woningen op de locatie waar voorheen een aannemersbedrijf was gevestigd dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie nauwelijks voor een verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het Besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2014 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Voorstraat (als maatgevende doorgaande weg nabij het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 23,9 µg/m³ voor NO2, 22,2 µg/m³ voor PM10 en 13,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 11 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7 Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek en conclusie

De beoogde ontwikkeling bestaat uit een interne functieverandering van de functie 'bedrijf' naar de functie 'wonen'. Het hoofdgebouw (gemeentelijk monument) blijf intact. Daarnaast wordt aan de achterzijde een tweede hoofdgebouw geplaatst. Ter plaatse van het plangebied heeft Dordrecht Research BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 3). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het krijgen van inzicht in de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende:

  • Er zijn geen asbest-verdachte materialen op of in de bodem aangetroffen;
  • De uitpandig gelegen bovengrond is matig verontreinigd met lood en zink en licht tot zeer licht verontreinigd met koper, kwik en PAK;
  • De inpandig gelegen bodem is niet verontreinigd;
  • De ondergrond is matig verontreinigd met lood en licht verontreinigd tot zeer licht verontreinigd met koper en kwik;
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

Door de aanwezigheid van de matige verontreiniging met lood en zink is de locatie niet zonder meer geschikt voor de bouw van woningen. In principe dient een nader bodemonderzoek te worden uitgevoerd. De aangetroffen verontreinigingen zijn door historische bodembelasting veroorzaakt welke veelal voorkomt in oude dorps- of stadskernen en voldoet hiermee aan het verwachtingspatroon. Op basis hiervan is nader onderzoek niet zinvol.

In het kader van de Woningwet moet de verontreiniging wel worden gesaneerd. Deze sanering kan bestaan uit het aanbrengen van een gesloten verharding of het aanbrengen van 1 meter schone grond. Voorafgaand aan de sanering dient er een BUS-melding te worden verricht. Teneinde te waarborgen dat de sanering daadwerkelijk plaatsvindt, wordt bij de te verlenen omgevingsvergunning als voorwaarde opgenomen dat de vergunning pas in werking treedt nadat uit een evaluatierapport is gebleken dat de sanering conform een nog in te dienen plan van aanpak is uitgevoerd. DCMR Milieudienst Rijnmond heeft op 4 april 2013 ingestemd met deze conclusie.

5.8 Planologisch relevante leidingen

Afwegingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Onderzoek en conclusie

Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden.

Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

5.9 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW);
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Provinciale Structuurvisie;
  • Verordening ruimte 2014

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerplan 2009-2015 (2009) staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 250 m² of meer moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat uit het gemeentelijk monument de Geuzenkerk aan de Geuzenstraat 16 te Brielle. Omdat het plangebied in het bebouwde gebied van Brielle ligt, is het plangebied niet gekarteerd. Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem in de omgeving van het plangebied uit zavel met homogeen profiel. Hier is sprake van grondwatertrap V. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt.

Waterkwantiteit en -veiligheid

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten oosten van het plangebied is een primaire watergang gelegen. Dit betreft boezemwater waarvoor een beschermingszone geldt van 5 m. Binnen deze zone gelden beperkingen van bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. Het plangebied is niet gelegen binnen deze beschermingszone. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de kern-/beschermingszone van een waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioleringsstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

Het plan omvat een functiewijziging van bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Daarnaast wordt het bouwvlak van het hoofdgebouw vergroot, zodat er een tweede hoofdgebouw kan worden geplaatst.

Waterkwantiteit

Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m², dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden. Het verhard oppervlak van het terrein neemt ten opzichte van de huidige situatie niet toe. Watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in)filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

5.10 Ecologie

Samenvatting

Deze paragraaf betreft een samenvatting van het uitgebreide bureauonderzoek zoals opgenomen in bijlage 4.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit een kerk, verharding, bomen en struiken.

Beoogde ontwikkelingen

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van vier woningen. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • verwijderen beplanting en bomen;
  • verbouwingswerkzaamheden;
  • nieuwbouw.

Resultaten onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in of nabij en beschermd natuurgebied of de Ecologische Hoofdstructuur. Omdat het plangebied in het centrum van Brielle ligt en de ontwikkeling een verbouwing van de kerk (met deels ook nieuwbouw) tot vier woningen betreft, worden negatieve effecten op de verder weg gelegen natuurgebieden uitgesloten. De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen of verlening van ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna Ffw) nodig zal zijn en of het reëel is te verwachten dat deze zal worden verleend.

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van woningen in de kerk en in het nieuwe hoofdgebouw. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: vogelbescherming)
  • Nader onderzoek naar muurplanten, broedvogels met vaste nesten en verblijfplaatsen van vleermuizen is noodzakelijk. Indien deze soorten aanwezig blijken te zijn en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Ffw de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan.

Resultaten uit het verkennend veldonderzoek, 22 maart 2013:

Op 22 maart 2013 is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. De rapportage is opgenomen in bijlage 5. Het voorkomen van vleermuizen en broedvogels kan niet worden uitgesloten, effecten op deze soortgroepen kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie van belang om eventuele effecten en maatregelen op een adequate manier in te kunnen schatten. Pas na afronding van deze inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet worden overtreden en of ontheffing is vereist.

5.11 Onderzoeksplicht vanwege mer-wetgeving

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusies

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Planregels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 zijn de inleidende bepalingen opgenomen, hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsbepalingen. Verder zijn in hoofdstuk 3 de algemene regels opgenomen en tot slot staan in hoofdstuk 4 de slot- en overgangsregels. Per hoofdstuk wordt hieronder nader ingegaan op de regels.

6.1.1 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begrippen

De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.

6.1.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsbepalingen

De bestemmingsbepalingen zijn opgezet volgens een vaste volgorde, die is vastgelegd binnen de SVBP. Alle bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • een bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;

en in sommige gevallen:

  • afwijking van de bouwregels;
  • nadere eisen;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Hieronder zijn de verschillende artikelen toegelicht. Allereerst komen de enkelbestemmingen aan bod die de primaire functies van de gronden aangeven. Daarnaast zijn er ook dubbelbestemmingen opgenomen, waarin de bescherming van de (verwachte) archeologische en de cultuurhistorische waarden worden geregeld. Deze dubbelbestemmingen moeten tevens in acht worden genomen op de gronden waar deze van toepassing zijn.

Artikel 3 Tuin

De bestemming Tuin is opgenomen voor de voortuinen behorende bij hoofdgebouwen. Deze gronden dienen in principe vrij te blijven van bebouwing. Ook erfafscheidingen dienen hier laag te worden gerealiseerd.

Artikel 4 Wonen

Binnen deze bestemming is rekening gehouden met de woonfunctie en zijn tevens aan-huis-gebonden beroepen toegestaan. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Het bouwvlak mag in zijn geheel worden bebouwd. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. De oppervlakte hiervan bedraagt ten hoogste 30% van het oppervlakte van het zij- en achtererf dat buiten het bouwvlak is gelegen, tot een oppervlakte van ten hoogste 40 m².

Artikel 5 Waarde - Archeologie - 2

Op basis van het archeologische beleid van de gemeente zijn aan het plangebied dubbelbestemmingen toegekend. Met deze dubbelbestemmingen wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Binnen het plangebied is er sprake van een archeologische verwachtingswaarde '2'. Hierbij geldt dat indien er sprake is van een verstoringsoppervlakte groter dan 30 m² en dieper dan 30 cm er archeologisch onderzoek benodigd is.

Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie - 1

Het plangebied is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Door de aanwijzing wordt de stedenbouwkundige structuur en de uitstraling van gebouwen en andere bouwwerken beschermd. Voor zover dit voor het hele plangebied (of een gedeelte daarvan) van toepassing is, is dit opgenomen binnen deze bestemming.

Het is mogelijk af te wijken van de verschillende bouwregels. In zijn algemeenheid geldt dat dit alleen mogelijk is indien de waarden van het beschermd stadsgezicht niet worden aangetast. Hierbij dienen de richtlijnen gevolgd te worden zoals opgenomen in de Kwaliteitsnota Vesting (2012).

6.1.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Antidubbeltelregel

Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 8 Algemene bouwregels

De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden. Voorts zijn in dit artikel regels opgenomen voor bestaande afwijkingen van voorgeschreven maten en is een regel opgenomen met betrekking tot de afstemming met de Keur van het waterschap.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

In dit artikel is de geluidszone industrielawaai opgenomen. Dit betekent dat nieuwe geluidsgevoelige functies niet zonder meer toelaatbaar zijn.In dit artikel is tevens de bescherming van de molenbiotoop geregeld.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel zijn alle afwijkingsregels opgenomen die voor het gehele plangebied van toepassing zijn.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels

Dit artikel betreft alle wijzigingsbevoegdheden die voor het gehele plangebied van toepassing zijn. Dit betreft de (beperkte) overschrijding van bestemmingsgrenzen.

Artikel 12 Overige regels

Indien verwezen wordt naar andere (wettelijke) regelingen dan is in dit artikel bepaald dat deze dienen te worden gelezen als op het tijdstip van de tervisielegging van het voorontwerp plan. Ook dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij nieuwe ontwikkelingen is opgenomen in deze regel.

6.1.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan.

Artikel 14 Slotregel

Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

De gronden en opstallen zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over deze ontwikkeling zijn vastgelegd.

De financieel-economische haalbaarheid is hiermee voldoende verzekerd en er kan worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd.

7.2.2 Overleg

Het voorontwerpbestemmingsplan wordt naar de wettelijke overlegpartners verstuurd.

Bijlagen bij toelichting

Bijlage 4 Bureauonderzoek flora en fauna

In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit een kerk, verharding, bomen en struiken.

Beoogde ontwikkelingen

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 4 woningen. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • verwijderen beplanting en bomen;
  • verbouwingswerkzaamheden;
  • nieuwbouw.

Toetsingskader

Beleid

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in Zuid-Holland in de provinciale Structuurvisie nader uitgewerkt.

Normstelling

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • c. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • d. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • e. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de EHS. Deze natuurgebieden liggen op grote afstand van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.Geuzenstraat16-0001_0011.png" Figuur B1.1 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied (Google Earth), algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl).

Vaatplanten

Er is een kans dat op het kerkgebouw (beschermde) muurplanten aanwezig zijn, zoals muurvaren, muurleeuwenbek en tongvaren.

Vogels

In de opgaande beplanting komen tuin- en struweelvogels voor. Hier zijn soorten als koolmees, roodborst, winterkoning en merel aanwezig. Spreeuw, huismus en kauw kunnen broeden in (de omgeving van) de bebouwing.

Zoogdieren

Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als dwergspitsmuis, huisspitsmuis en veldmuis. De kerk kan plaats bieden aan vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Vanwege het beperkt aanwezige groen heeft het plangebied geen bijzondere functie als foerageergebied, in de directe omgeving zijn grotere oppervlakten groen aanwezig.

Overige soorten

Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde amfibieën, vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel B.1.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel B.1.1 Naar verwachting voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

  nader onderzoek nodig  
Vrijstellingsregeling Ffw   tabel 1     dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis   nee  
Ontheffingsregeling Ffw   tabel 2     tongvaren   ja  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen   nee  
    bijlage IV HR   alle vleermuizen   Ja  
  vogels   cat. 1 t/m 4   huismus   Ja  

Toetsing en conclusie

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in of nabij en beschermd natuurgebied of de EHS. Omdat het plangebied in het centrum van Brielle ligt en de ontwikkeling een verbouwing van de kerk (met deels ook nieuwbouw) tot vier woningen betreft, worden negatieve effecten op de verder weg gelegen natuurgebieden uitgesloten. De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van woningen in de kerk. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl).
  • Nader onderzoek naar muurplanten, broedvogels met vaste nesten en verblijfplaatsen van vleermuizen is noodzakelijk. Indien deze soorten aanwezig blijken te zijn en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Ffw de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan.