direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Voorweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0501.voorweg-0120

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de locatie Voorweg 1a te Vierpolders mogen op basis van het geldende bestemmingsplan Brielle Landelijk Gebied, 1e herziening, zes woningen worden gebouwd; zijnde de bestaande woning Prinsenweg 2a, de bestaande (voormalige) bedrijfswoning Voorweg 1a en vier nieuwe woningen door toepassing van de Ruimte voor ruimteregeling. Tee nieuwe Ruimte voor ruimtewoningen zijn reeds gerealiseerd. Recentelijk is door de gemeente Brielle vergunning verleend voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning op één van de Ruimte voor ruimtekavels. De gemeente beschikt naast de rechten voor deze vier Ruimte voor ruimtewoningen nog over rechten om Ruimte voor ruimtewoningen te bouwen op nog niet aangewezen locaties. De gemeente wenst de locatie aan de Voorweg te gebruiken om nog twee Ruimte voor ruimtewoningen te bouwen in de vorm van een twee-onder-een-kapwoning. Dit brengt het totaal aantal woningen op het perceel op acht, waarvan zes Ruimte voor ruimtewoningen. Dit past niet binnen het geldende bestemmingsplan.

Gebleken is dat de maximale inhoud voor Ruimte voor ruimtewoningen zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan (750 m3), niet toereikend is voor de vraag van geïnteresseerde kopers. Om in te spelen op de wensen van kopers wil de gemeente de maximale inhoudsmaat voor Ruimte voor ruimtewoningen verruimen naar 1.000 m3 met een afwijkingsmogelijkheid naar 1.250 m3. Dit past niet binnen het geldende bestemmingsplan.

Om zowel het aantal woningen als de maximale inhoudsmaat te wijzigen, is een nieuw bestemmingsplan voor de locatie gewenst.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de gemeente Brielle in Zuid-Holland, tussen de wijk Zuurland en de kern Vierpolders. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de Voorweg en in het oosten door de Prinsenweg. In figuur 1.1. is de ligging van het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0001.png" Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is de gewenste ontwikkeling getoetst aan het provinciale en gemeentelijke beleidskader. De toetsing van de gewenste ontwikkeling aan de sectorale milieuaspecten is opgenomen in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling. Ten slotte is in hoofdstuk 6 een toelichting op de bestemmingsregeling opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Op de locatie Voorweg 1a was voorheen een glastuinbouwbedrijf gevestigd, met kassen, een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning. De aanwezige kas had een oppervlak van 10.284 m2. De kas is reeds gesloopt. Het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning zijn behouden. In 2010 zijn twee nieuwe woningen gebouwd; Voorweg 1d en 1e. Recent heeft de gemeente Brielle een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning op het perceel ten oosten van de bedrijfswoning Voorweg 1a. Deze woning is nog niet gerealiseerd. Tevens is binnen het plangebied de bestaande burgerwoning Prinsenweg 2a gelegen, welke in bestaande vorm behouden blijft. In figuur 2.1 is een uitsnede van een recente luchtfoto opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0002.png"

Figuur 2.1. Uitsnede luchtfoto plangebied

2.2 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is opgenomen in het bestemmingsplan Landelijk Gebied Brielle, 1e herziening. Op de locatie is een bouwvlak met de bestemming Woondoeleinden opgenomen. Binnen het bouwvlak mogen zes woningen gebouwd worden. De locatie is gelegen binnen de zone Agrarisch gebied (A). Voor woningen gelegen binnen de zone A geldt een maximale inhoudsmaat van 750 m3. In figuur 2.2. is een uitsnede van de vigerende plankaart opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0003.png"

Figuur 2.2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan

2.3 Gewenste ontwikkeling

De gemeente Brielle heeft zich in de afgelopen jaren ingezet voor de sanering van verspreid liggend glas. In ruil voor de sanering van glas, mogen op basis van de provinciale Ruimte voor ruimteregeling burgerwoningen gebouwd worden. De gemeente heeft de gronden waarop glassanering heeft of gaat plaatsvinden verworven en hiermee de rechten voor de bouw van de compensatiewoningen in handen.

In het plangebied mogen reeds vier compensatiewoningen gebouwd worden, twee daarvan zijn reeds gerealiseerd. Recent heeft de gemeente een omgevingsvergunning voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning afgegeven op één van de Ruimte voor ruimtekavels. De gemeente beschikt naast de rechten voor deze vier Ruimte voor ruimtewoningen nog over rechten om Ruimte voor ruimtewoningen te bouwen op nog niet aangewezen locaties. De gemeente wenst de locatie aan de Voorweg te gebruiken voor de bouw van nog twee Ruimte voor ruimtewoningen in de vorm van een twee-onder-een-kapwoning. In totaal zullen dus zes Ruimte voor ruimtewoningen gebouwd worden in het plangebied. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van de twee-onder-een-kapwoning in het plangebied mogelijk.

Gebleken is dat de maximale inhoudsmaat van 750 m3 niet toereikend is voor de vraag van geïnteresseerde kopers. Om de woningen aantrekkelijker te maken voor de verkoop, heeft de gemeente besloten om de maximale inhoudsmaat te verruimen naar 1.000 m3 met een afwijkingsbevoegdheid naar 1.250 m3. Deze verruimde inhoudsmaat zal ook gaan gelden voor de twee bestaande woningen in het plangebied. Indien gewenst kunnen deze woningen uitgebreid worden.

Ontwikkelingsparagraaf

De nieuwe woningen dienen een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de omgeving. De gemeente heeft daarom speciaal voor de Ruimte voor ruimtewoningen een ontwikkelingsparagraaf opgesteld als aanvulling op de Welstandsnota. Nieuwe bouwplannen worden getoetst aan de ontwikkelingsparagraaf, welke richtlijnen en criteria geeft voor de beoordeling van de plannen zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving. In de ontwikkelingsparagraaf wordt aangegeven op welke wijze de bouwwerken evenwichtig kunnen worden ingepast op de kavels voor wat betreft plaatsing, bouwmassa, architectonische uitwerking, materiaal en kleur. De ontwikkelingsparagraaf functioneert naast het bestemmingsplan en wordt daarom niet vastgelegd in de planregels.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleid

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het voor dit plangebied relevante ruimtelijke beleid. Gezien het lokale karakter van de ontwikkeling, is rijksbeleid niet van toepassing op de locatie. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op het provinciaal en regionaal beleid en op het gemeentelijk beleid.

3.1 Provinciaal en regionaal beleid

3.1.1 Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland' (t/m actualisatie 2012)

In de Visie op Zuid-Holland beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. De visie is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:

  • aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  • duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  • divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  • vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
  • stad en land verbonden.

3.1.2 Verordening Ruimte (t/m actualisatie 2012)

In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen.

In de verordening zijn specifieke regels opgenomen waarmee in bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De vestiging van stedelijke functies, zoals woningen, bedrijven en kantoren in het buitengebied wordt beleidsmatig beperkt. In artikel 3 van de verordening is de Ruimte voor ruimteregeling opgenomen, waarbij de volgende voorwaarden zijn opgenomen:

  • de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt duurzaam verbeterd;
  • voor de sloop of sanering op één of meerdere percelen van iedere 1.000 m2 gebouwen, iedere 5.000 m2 kassen of iedere 2,25 ha boom- en sierteelt, mag één compensatiewoning worden gebouwd;
  • de nieuwe woningen brengen uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen met zich mee voor de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven;
  • de gebouwen of kassen zijn opgericht voor de peildatum van 1 januari 2007;
  • de kassen zijn gelegen buiten de gebieden voor glastuinbouw (met uitzondering van
  • de transformatiegebieden) zoals aangeduid op kaart 2 van de verordening;
  • de sierteeltpercelen zijn gelegen buiten de boom- en sierteeltgebieden, zoals aangeduid op kaart 2 van de verordening.

3.1.3 Toetsing aan provinciaal beleid

In 2006 heeft de provincie Zuid-Holland ingestemd met de realisatie van 51 Ruimte voor ruimtewoningen. Deze woningen mogen gebouwd worden na sanering van 21,5 ha glas (43 woningen) en 8.000 m2 schuur (8 woningen). Inmiddels is eind 2013 28 ha glas gesaneerd, wat rechten biedt voor de realisatie van in totaal 56 Ruimte voor ruimtewoningen. Voor 15 Ruimte voor ruimtewoningen is nog geen bouwlocatie aangewezen. De locatie aan de Voorweg wordt gebruikt als bouwlocatie voor twee van deze 15 Ruimte voor ruimtewoningen. In onderstaand schema zijn de Ruimte voor ruimterechten van de gemeente Brielle weergegeven.

Schema Ruimte voor ruimterechten gemeente Brielle

Totale Ruimte voor ruimterechten 56 woningen
Reeds gebruikt/gerealiseerd 41 woningen -
Nog niet gebruikte rechten 15 woningen
Locatie Voorweg 2 woningen -
Nog resterende rechten 13 woningen   

In de provinciale Ruimte voor ruimteregeling is geen maximale inhoudsmaat voor de compensatiewoningen opgenomen.

De beoogde ontwikkeling voldoet aan de provinciale Ruimte voor ruimteregeling.

3.2 Gemeentelijk beleid

3.2.1 Structuurvisie Brielle (2009)

De gemeenteraad van Brielle heeft op 8 december 2009 de Structuurvisie Brielle vastgesteld. In de Structuurvisie geeft de gemeente een overzicht van de ruimtelijk relevante ontwikkelingen, doelstellingen en programmapunten voor de toekomstige ontwikkeling van Brielle. De structuurvisie biedt een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en voor een ruimtelijke structuur waarin de cultuurhistorische kwaliteit van Brielle en het goed kunnen wonen en leven in de gemeente centraal staan. De structuurvisie geeft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot omstreeks 2020 en gaat vergezeld van een uitvoeringprogramma. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de ontwikkelingsprojecten tot realisatie kunnen komen.

Ruimte voor ruimtekavels

Door middel van de Ruimte voor ruimteregeling willen de provincie en gemeente de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied verbeteren. Bestaande glasopstanden en (agrarische) bedrijfsgebouwen die niet in het landschap passen worden daarvoor gesaneerd. Onder bepaalde voorwaarden mag in ruil voor de sloop van de bedrijfsgebouwen en/of glasopstallen één of meer compensatiewoningen worden gebouwd. De locaties waar deze compensatiewoningen gebouwd mogen worden zijn aangewezen in deze structuurvisie. Bij de bouw van compensatiewoningen zijn de volgende uitgangspunten richtinggevend:

  • behoud van openheid van het landschap;
  • in stand houden van het groene landschappelijke karakter;
  • de gebouwen en de inrichting van de kavel moeten aansluiten op de bestaande landschappelijke kwaliteiten;
  • verrommeling wordt tegengegaan;
  • terughoudende vormgeving van bebouwing.
3.2.2 Toetsing aan gemeentelijk beleid

De bouw van twee extra Ruimte voor ruimtewoningen voldoet aan de uitgangspunten voor Ruimte voor ruimtekavels zoals gesteld in de structuurvisie Brielle.

In de structuurvisie is opgenomen dat gebouwen moeten aansluiten op de bestaande landschappelijke kwaliteiten. In de ontwikkelingsparagraaf is over het bouwmassa van de nieuwe woningen gesteld dat deze in massa, opbouw en vorm moeten aansluiten op beeldbepalende bebouwing in het buitengebied van Brielle, waarbij met name de oudere agrarische gebouwen als uitgangspunt worden gehanteerd. Deze gebouwen hebben vaak een groot bouwmassa. Om uitvoering te kunnen geven aan deze beoogde beeldkwaliteit is gekozen voor een grotere inhoudsmaat van 1.000 m3. Deze maatvoering sluit dus aan bij de uitgangspunten uit de structuurvisie Brielle en de ontwikkelingsparagraaf voor de Ruimte voor ruimtekavels.

Hoofdstuk 4 Milieuonderzoek

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven en bevat de uitkomsten van de benodigde onderzoeken met de daarbij behorende conclusies.

4.1 Bodem

Beleid en Normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Uit het Bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen historische activiteiten bekend zijn die mogelijk hebben geleid tot bodemvervuiling. Daarnaast vindt er geen functiewijziging plaats. De functie is reeds wonen en blijft wonen. De aanwezige bodemkwaliteit levert dan ook geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0005.png"

Figuur 4.1 Bodemkwaliteit in het plangebied

4.2 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerplan 2009-2015 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Voor een toename aan verhard oppervlak moet 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de verharding toeneemt.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied omvat het perceel Voorweg 1a te Vierpolders, in de gemeente Brielle. Het gebied bestaat uit een onbebouwd grasland perceel.

De bodem in het plangebied bestaat uit zeekleigrond. In het plangebied is er sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand van nature varieert tussen 0,4 en 0,8 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwatertrap van nature op meer dan 1,2 m beneden maaiveld ligt. De maaiveldhoogte in het plangebied is circa NAP +0,2 m. Het plangebied ligt in peilgebied Groot Voorne West en bemalingsgebied 193.01 met een vast peil van NAP -1,85 m.

Waterkwantiteit en -kwaliteit

In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende watergangen gelegen. Ten noordwesten en zuidwesten is een overige watergang gelegen. Rondom deze watergang ligt een beschermingszone van 2 m. Ten noorden van het plangebied ligt een hoofdwatergang. Rondom deze watergang ligt een beschermingszone van 5 m. In de beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om het onderhoud van de watergangen mogelijk te houden.

De aanwezige watergangen behoren niet tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied ligt niet in de kern-/beschermingszone van een waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is aangesloten op een gemengd rioolstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning.

Waterkwantiteit

Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden.

Door de beoogde ontwikkeling vindt er een toename van verharding plaats. Doordat de ontwikkeling slechts de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning omhelst, zal de toename in verharding niet boven de 1.500 m2 uitkomen. Watercompensatie is voor voorliggende bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.3 Ecologie

In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit een onbebouwd, grasland perceel.

Beoogde ontwikkelingen

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • bouwrijp maken;
  • bouwwerkzaamheden.

Beleid en Normstelling

Beleid

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van de EHS is in Zuid-Holland in de provinciale Structuurvisie nader uitgewerkt.

Normstelling

- Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

- Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Deze natuurgebieden liggen op relatief grote afstand van het plangebied en worden niet beïnvloed door de relatief kleinschalige ingreep. De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0006.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0007.png"

Figuur 4.2: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl).

Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn.

Overige soorten

Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vogels, vleermuizen, planten, vissen, amfibieën, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 4.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 4.1: Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

        Nader onderzoek nodig  
Vrijstellingsrege-ling Ffw   tabel 1     mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn   nee  
Ontheffingsrege-ling Ffw   tabel 2     geen   nee  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen   nee  
    bijlage IV HR   geen   nee  
  vogels   cat. 1 t/m 4   geen   nee  

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een woning. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).

Conclusie

De Flora- en faunawet staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.4 Archeologie

Beleid en normstelling

Vanaf 1 september 2007 hebben gemeenten de plicht om in hun nieuw op te stellen bestemmingsplannen aan te geven hoe zij omgaan met de in het geding zijnde archeologische waarden in het plangebied. Deze plicht is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (artikel 38 t/m 41). Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Brielle in februari 2009 het nieuwe Beleidsplan Archeologie 'Koers vastgelegd' vastgesteld. Dit beleid bevat onder andere een archeologische waarden verwachtingenkaart met daarop aangegeven de reeds bekende en de te verwachten archeologische waarden in de bodem in Brielle. Dit beleid en de bijbehorende kaart is reeds vastgesteld door de gemeenteraad van Brielle.

Op enkele plaatsen wijkt de archeologische waarde- en verwachtingenkaart in het Beleidsplan Archeologie af van de Provinciale Cultuurhistorische waardekaart. Op de nieuwe gemeentelijke archeologische waarde- en verwachtingenkaart is onderscheid gemaakt tussen 4 archeologische verwachtingswaarden, namelijk:

  • Waarde - Archeologie - 1 voor enkele percelen met een zeer hoge archeologische waarde (archeologisch (voor)onderzoek altijd noodzakelijk);
  • Waarde - Archeologie - 2 voor de vesting, welke een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde heeft (archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk voor bouwwerken met een oppervlak van 30 m² en dieper dan 30 cm);
  • Waarde - Archeologie - 3 voor de AMK-terreinen en dijken, welke een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben (archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk voor bouwwerken met een oppervlak van 100 m² en dieper dan 30 cm);
  • Waarde - Archeologie - 4 voor de agrarische gronden met een redelijke hoge verwachtingswaarde (archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk voor bouwwerken met een oppervlak van 250 m² en dieper dan 50 cm).

Hiermee wordt aangegeven welke delen van het grondgebied van de gemeente Brielle een archeologische waarde of een archeologische verwachting kennen. Bij archeologische dubbelbestemmingen in bestemmingsplannen, welke opgesteld worden sinds de vaststelling van het nieuwe beleid, wordt deze naamgeving gehanteerd voor de archeologisch waardevolle gebieden. De planregels bij deze dubbelbestemmingen geven aan voor welke soorten bodemingrepen archeologisch (voor)onderzoek verplicht is.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied is gelegen in de zone Waarde - Archeologie - 4. Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv en groter dan 250 m2 is vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek vereist. Er is nog geen bouwplan bekend van de nieuwe woningen, waardoor het niet bekend is of deze grens overschreden wordt. In het bestemmingsplan wordt daarom opnieuw de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 4 opgenomen. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen dient opnieuw beoordeeld te worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

Onderzoek en conclusies

Ter plaatse van het plangebied wordt een twee-onder-een-kapwoning mogelijk gemaakt. Een woning is een milieugevoelige functie. In de direct omgeving van het plangebied zijn geen hinderlijke functies gelegen. Akkerbouwgronden zijn geen hinderlijke functies en de aanwezige kassen liggen op ruim 300 m van het plangebied, ruim buiten de richtafstand van 30 m. Er is ter plaatse van de beoogde woningen dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6 Industrielawaai

Toetsingskader

Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er binnen de 50 dB(A)-contour, de zonegrens van het industrieterrein, geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidsgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).

Onderzoek en conclusie

Het plangebied is gelegen buiten de geluidszones van de industrieterreinen Europoort Maasvlakte en Botlek Pernis. De ligging nabij deze industrieterreinen vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.voorweg-0120_0008.png"

Figuur 4.3 Geluidszones industrieterreinen (in rood) en ligging plangebied (in blauw) http://geo.zuid-holland.nl/geo-loket/html/atlas.html?atlas=bedrijventerreinen 

4.7 Verkeer en infrastructuur

Verkeersstructuur

Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Voorweg. In oostelijke richting sluit de Voorweg aan op de Veckdijk. De Veckdijk geeft aansluiting op zowel de N218 als de N57. Langs het plangebied is tevens de Prinsenweg gelegen. Deze weg geeft via de Middelweg verbinding met de Rijksstraatweg richting de kern Brielle. De Voorweg, Prinsenweg en Veckdijk zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h.

Conform de inrichting volgens Duurzaam Veilig vind op de Voorweg en de Prinsenweg, ter hoogte van het plangebied, een gemengde verkeersafwikkeling plaats. In de nabijheid van het plangebied is geen openbaar vervoer.

Verkeersgeneratie en afwikkeling

De bouw van de nieuwe een twee-onder-een-kapwoning zal leiden tot een zeer geringe verkeerstoename. Dit heeft geen effect op de verkeersafwikkeling.

Parkeren

Het parkeren gebeurt op eigen terrein. Hier is voldoende ruimte aanwezig om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied voor het gemotoriseerd en langzaam verkeer is goed. De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren. Het aspect verkeer staat de bouw van de woningen dan ook niet in de weg.

4.8 Wegverkeerslawaai

De nieuw te bouwen een twee-onder-een-kapwoning is volgens de Wet geluidhinder een nieuwe geluidsgevoelige functie waarvoor akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.

Toetsingskader

Normstelling

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging.

De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties

Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Voor de beoogde buitenstedelijke ontwikkeling geldt een uiterste grenswaarde van 53 dB.

De geluidswaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Van deze aftrek, conform artikel 3.4 uit het Reken– en Meetvoorschrift 2012, is gebruik gemaakt.

Onderzoek

De ontwikkeling is gelegen binnen de geluidszone van de Voorweg, Prinsenweg en Veckdijk. Deze wegen hebben een buitenstedelijke ligging, 1 – 2 rijstroken en derhalve een geluidszone van 250 m.

Rekenmethodiek en invoergegevens

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. De berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 1.

Verkeersgegevens

De verkeersintensiteit van de Veckdijk is afkomstig uit het RVMK van Brielle voor het jaar 2010 en de intensiteit van de Prinsenweg is gebaseerd op een telling in 2010. Voor de extrapolatie naar het maatgevende jaar 2024 is uitgegaan van een autonome groei van 1% per jaar. Van de Voorweg zijn geen intensiteiten bekend, hiervoor is aangesloten bij de intensiteit op de Prinsenweg.

Tabel 4.2 Verkeersintensiteiten (mvt/etmaal)

  2024  
Voorweg   500  
Prinsenweg   500  
Veckdijk   2.000  

Voor de voertuigverdeling van het verkeer op de Veckdijk is uitgegaan van een standaard verdeling van het verkeer op een landelijke ontsluitingsweg. Er is geen reden om aan te nemen dat de daadwerkelijke voertuigverdeling afwijkt. De voertuigverdeling van het verkeer op de Prinsenweg is gebaseerd op de verdeling zoals blijkt uit de tellingen. Voor de Voorweg is wederom aangesloten bij gegevens van de Prinsenweg. De wegdekverharding op de verschillende wegen bestaat uit asfalt.

Resultaten gezoneerde wegen

Ten gevolge van het verkeer op de Voorweg en de Prinsenweg is de 48 dB contour, de voorkeursgrenswaarde, berekend. Deze contour is op de maatgevende hoogte op een afstand van 13 m uit de as van de weg gelegen. De nieuwe woningen dienen dus minimaal op deze afstand van de as van de weg gebouwd te worden. Hiervoor wordt een bepaling opgenomen in de planregels. Hiermee wordt geborgd dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Ten gevolge van het verkeer op de Veckdijk is de 48 dB contour, de voorkeursgrenswaarde, op een afstand van 30 m uit de as van de weg gelegen. De nieuwe woningen worden op grotere afstand gerealiseerd zodat aangenomen kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

Conclusie

Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat ten gevolge van het verkeer op de verschillende wegen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Het aspect wegverkeerslawaai staat de realisatie van de nieuwe woningen dan ook niet in de weg.

4.9 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   Grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

NIBM

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.

Onderzoek en conclusie

De ontwikkeling in het plangebied is met de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2011 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Veckdijk (als maatgevende doorgaande weg langs het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Onderzoek

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Deze worden met voorliggende bestemmingsplan ook niet mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied vindt daarnaast geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water dat van invloed is op de veiligheidssituatie in het plangebied.

Ten zuiden van het plangebied vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt door leidingen. In onderstaande tabel zijn de leidingen opgesomd met de belangrijkste kenmerken.

Tabel 4.4 Leidingen

Leiding   PR 10-6 contour   Effectafstand  
Crude oil   25 m   36 m  
Aardgas A-536   -   430 m  
Aardgas A-624   -   470 m  

Het plangebied ligt op ruim 250 m vanaf de leidingen. Dit is binnen de effectafstand van de aanwezige aardgasleidingen. Gezien de omgeving van de leidingen is geen sprake van een overschrijding van 0,1 maal de oriënterende waarde van het groepsrisico. De realisatie van een twee-onder-een-kapwoning op ruim 250 m afstand zal zeer beperkt effect hebben op het groepsrisico. In geen geval zal door de ontwikkeling het groepsrisico dusdanig toenemen dat de oriëntatiewaarde wordt overschreden. De aanwezigheid van de leidingen vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient het groepsrisico te worden verantwoord.

Verantwoording groepsrisico

Zoals hierboven aangegeven is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van 2 aardgasleidingen, waardoor het GR verantwoord dient te worden. In deze verantwoording wordt aandacht besteed aan zelfredzaamheid en bestrijdbaaarheid door hulpdiensten. Over deze aspecten is advies gevraagd aan de Veiligheidregio Rotterdam-Rijnmond.

Het worst case scenario voor het plangebied is een fakkelbrand als gevolg van een breuk van de hogedruk aardgastransporleiding A-624. De 1% letaliteitcontour van het worst case scenario is gelegen op 425 m. Het plangebied ligt binnen deze contour. Het gebied is echter buiten de 1% letaliteitcontour van het meest geloofwaardige scenario gelegen.

Gezien de omgeving van de leidingen is er in de huidige situatie geen sprake van een overschrijding van 0,1 maal de oriënterende waarde van het groepsrisico. Door de realisatie van 2 woningen met een grotere inhoud dan in het geldende bestemmingsplan is toegestaan, zal het GR zeer beperkt toenemen. Volgens de handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico is de personendichtheid voor woningen 2,4 personen per woning. Met de realisatie van 2 woningen neemt de personendichtheid dus gemiddeld met 4,8 personen toe. Dit zal in geen geval leiden tot een overschrijding van 0,1 maal de oriëntatiewaarde van het GR.

De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligeid te brengen. Voor het beschouwde incidentscenario als gevolg van een brand na leidingbreuk of lekkage geldt dat een fakkelbrand zich zeer snel (instantaan of binnen enkele minuten) kan ontwikkelen. Dit effect is zichtbaar voor aanwezigen. Ontvluchting is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van de zelfredzaamheid van aanwezigen en de infrastructuur in de omgeving op een juiste manier is ingericht. Binnen het plangebied is de sirenealarmering goed hoorbaar waardoor een effectieve alarmering van de bevolking mogelijk is.

Om de zelfredzaamheid te kunnen verbeteren is van belang dat zorg gedragen wordt voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand".

Omdat door de beoogde ontwikkeling de personendichtheid en daarmee het groepsrisico maar zeer beperkt toeneemt, wordt het groepsrisico na realisatie van de wonigen aanvaardbaar geacht.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Planologisch relevante leidingen

Afwegingskader 

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Onderzoek en conclusie

Ten zuiden van het plangebied is een bovengrondse hoogspanningsleiding (150 kV) gelegen. In de omgeving van hoogspanningsverbindingen dient rekening te worden gehouden met de 'indicatieve zone' waarbinnen sprake kan zijn van verhoogde magneetvelden. Het beleid is erop gericht om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de indicatieve zone. Voor de betreffende verbinding bedraagt de indicatieve zone 80 m aan weerszijden. Het plangebied ligt op circa 180 m van de hoogspanningsverbinding. De hoogspanningsverbinding vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Naast de hoogspanningsverbinding zijn er geen planologisch relevante buisleidingen, of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het voorontwerp van het bestemmingsplan 'Voorweg' wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan enkele belanghebbende personen en instanties toegezonden. vier instanties hebben een schriftelijke reactie ingediend. Hieronder worden de reacties samengevat en beantwoord. Per reactie wordt aangegeven in hoeverre de reactie leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Overlegreacties

1. Gemeente Bernisse (e-mail d.d. 09-10-2013)

Het bestemmingsplan geeft de gemeente geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Beantwoording

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

Conclusie

De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan.

2. Provincie Zuid-Holland (e-formulier d.d. 13 -09-2013)

Het e-formulier is ingevuld en aangegeven is dat het bestemmingsplan niet strijdig is met de provinciale belangen. Het bestemmingsplan hoeft dan ook niet verstuurd te worden aan de provincie Zuid-Holland.

Beantwoording

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

Conclusie

De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan.

3. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (brief d.d. 07-10-2013)

De Veiligheidsregio geeft aan dat ten behoeve van de verbetering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid geen maatregelen geborgd kunnen worden die vallen binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening. Deze maatregelen kunnen echter wel gerealiseerd worden binnen de context van de gemeentelijke verantwoordelijkheid ex art. 3 Wet Veiligheidsregio's:

Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezigen personen zodat

men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed

voorbereid zijn heb je zelf in de hand".

Graag verneemt de VRR het besluit van de gemeente met betrekking tot dit adviespunt.

Beantwoording

De toelichting wordt naar aanleiding van het advies aangevuld.

Conclusie

De reactie leidt tot een aanpassing van de toelichting.

4. Waterschap Hollandse Delta (brief d.d. 23-09-2013)

Het waterschap geeft aan dat het plan voldoet aan de uitgangspunten voor waterkwantiteit, waterkwaliteit en wegen. Het waterschap verzoekt om initiatiefnemers erop te wijzen dat voor handelingen aan wegen of watergangen rond het perceel ontheffing moet worden aangevraagd bij het waterschap.

Beantwoording

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. De initiefnemers worden geinformeerd over de vergunningplicht zoals aangegeven door het waterschap.

Conclusie

De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan.

Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan 'Voorweg' heeft van 20 september 2013 tot en met 31 oktober 2013 ter inzage gelegen.

1. (brief d.d. 28-10-2013)

Inspreker geeft aan dat de grotere inhoudsmaat ook voor het huis van inspreker gaat gelden.

a. Inspreker verzoekt om in het kader van ruimtelijke kwaliteit aan de Voorweg en Prinsenweg voor een normale afwatering te zorgen.

b. inspreker verzoekt om de afspraken met betrekking tot wegverkeer na te komen en het vrachtverkeer om te leiden. Inspreker geeft aan dat de verkeersintensiteit van het wegverkeer aan de Voorweg en Prinsenweg nu vele malen hoger ligt en daarmee ook de luchtkwaliteit verder veslechterd is.

c. Inspreker geeft aan dat steeds meer gaswagens en vloeibare kunstmest langs de locatie komen.

Beantwoording

a. Zoals inspreker zelf al aangeeft is de afwatering een verantwoordelijkheid van het waterschap. De gemeente verzoekt inspreker eventuele klachten met betrekking tot de waterhuishouding bij het waterschap neer te leggen.

b. De reactie heeft geen betrekking op de gewenste ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Bij de gemeente zijn geen afspraken bekend met betrekking tot vrachtverkeer over de Voorweg.

c. De reactie heeft geen betrekking op de gewenste ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is getoetst op het aspect externe veiligheid en uit deze toetsing blijkt dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.

Conclusie

De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan.

2. (brief d.d. 29-10-2013)

Inspreker geeft de volgende reacties:

a. het is onduidelijk op welke basis er kavels gesplitst worden. Inspreker zou graag zien dat er op de bestaande kavels ook een tweede woning kan worden gebouwd.

b. inspreker vraagt of de verruiming per kavel naar 1.250 m3 ook van toepassing is voor de bestaande woningen binnen het plan.

c. Inspreker verzoekt specifieker aan te geven wat er wordt bedoeld met de strekking 'aantonen dat de maximale inhoud ontoereikend is'. In welke situaties wordt deze verruiming niet toegekend?

Beantwoording

a. Op basis van de stedebouwkundige en landschappelijke situatie is beoordeeld of kavels kunnen worden gesplitst. Op basis daarvan is uitgangspunt dat alleen woningen worden toegestaan in de eerste lijn langs de Voorweg. Tussen de bestaande woningen is ruimte om passend bij het stedebouwkundige beeld en zonder de landschappelijke waarden significant aan te tasten woningen toe te voegen. Het aantal woningen is gebaseerd op de ruimte die er is en de kavel omvang is afgestemd op het stedebouwkundige beeld van de Voorweg.

b. De inhoudsmaat geldt voor alle woningen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan, dus ook de bestaande woningen.

c. De grotere omvang dient bouwkundig noodzakelijk te zijn. Aanvrager dient daarbij aan te tonen dat er geen andere bouwkundige oplossing is binnen de toegestane inhoudsmaat.

Conclusie

De reactie leidt niet tot aanpassing van het plan.

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Voorweg' wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze in te dienen.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft de gemeente de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro). Dit geldt ook voor projecten waarbij sprake is van een particuliere ontwikkelaar die op eigen initiatief een locatie ontwikkelt. De gemeente is eigenaar van de gronden en zal deze verkopen aan particulieren voor de bouw van de twee-onder-een-kapwoning. Verkoop zal alleen plaatsvinden als de bouw van de woningen financieel uitvoerbaar wordt geacht.

Kostenverhaal

De gronden zijn in eigendom van de gemeente Brielle. Er hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden. Het kostenverhaal is hiermee voldoende gedekt.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de wettelijke RO Standaarden 2012 (SVBP2012, IMRO2012 en STRI2012), inclusief de voor dit instrument relevante Praktijkrichtlijnen (PRBP2012).

6.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten

Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

6.3 Bestemmingsregels

Artikel 3 Wonen

Het plangebied is geheel aangewezen voor de bestemming Wonen. Naast het hoofdgebruik is ook beroep-aan-huis tot maximaal 60 m² toegestaan.

Voor de woningen, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen is een maximale inhoudsmaat van 1.000 m³ opgenomen met een maximale goothoogte van 4,5 m en een maximale bouwhoogte van 10 m. Per kavel is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen waarbinnen één woning is toegestaan. Voor de twee kavels waarop een twee-onder-een-kapwoning is toegestaan, is een specifieke aanduiding opgenomen. Tussen de woning en de as van de weg dient minimaal 13 m afstand aangehouden te worden, in verband met wegverkeerslawaai.

6.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelregeling

Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen.

Algemene bouwregels

Overschrijding bouwgrenzen

Om te voorkomen kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden.

Bestaande maten

Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen.

Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen is alleen toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing.

Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is een algemeen gebruiksverbod opgenomen waarin is geregeld dat gebruik in strijd met de bestemming niet is toegestaan.

Algemene afwijkingsregels

Maten en bouwgrenzen

In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre afgeweken kan worden voor geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering), voor zover al niet elders in de planregels in afwijkingen is voorzien. Overigens bestaat er een aantal bouwwerken dat los van het bestemmingsplan gebouwd kan worden en waarvoor een algemene bevoegdheid tot afwijken (zoals voorheen te doen gebruikelijk) geen zin meer heeft. Het betreft hier zogenaamde vergunningsvrije bouwwerken als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet.

Algemene wijzigingsregels

Overschrijding bestemmingsgrenzen

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.

Overige regels

Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

Met deze regeling wordt vastgelegd welke regels uit de bouwverordening aanvullend op de regels van dit bestemmingsplan van toepassing zijn.

Werking wettelijke regelingen

Met dit artikel wordt geregeld dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, de regelingen betreffen zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

6.5 Overgangsrecht en slotregels

Overgangsregels

Overgangsrecht bouwwerken

Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag.

Overgangsrecht gebruik

Betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt.

Slotregel

Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.