direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Ankerplaats
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

ABB heeft een plan ontwikkeld voor de bouw van 18 woningen aan de Wilhelminalaan in Zwartewaal. De woningbouwontwikkeling is gepland op het terrein van het voormalige kerkgebouw, naastgelegen parkeerplaats en deels in het aangelegen groengebied.

De woningbouwplannen passen niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Zwartewaal'. De gronden hebben ter plaatse van de ontwikkeling de bestemmingen 'Verkeer', 'Gemengd' en 'Groen'. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

De locatie ligt centraal in Zwartewaal. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen gevestigd. Ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Wilhelminalaan, is het Dorpscentrum Zwartewaal gevestigd en ten westen is een groenvoorziening aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0001.png"    afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0002.png"  

Figuur 1.1 Indicatieve ligging plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan vigeert het bestemmingsplan 'Zwartewaal', dat op 12 maart 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. Een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Zwartewaal' is opgenomen in figuur 1.2.

Voor het plangebied zijn de bestemmingen 'Verkeer' (grijs), 'Gemengd' (roze) en 'Groen' (groen) opgenomen. Voor het plangebied geldt voor een deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Het perceel wordt omgeven door woonbestemmingen (geel), verkeer (grijs), water (blauw) en groen (groen).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0003.png"

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan Zwartewaal

Het initiatief is in strijd met het geldende bestemmingsplan. De gemeente staat echter positief tegenover de beoogde ontwikkeling en biedt met het voorliggend bestemmingsplan een nieuw juridisch planologisch kader waarbinnen de ontwikkeling kan plaatsvinden.

1.4 Leeswijzer

De verbeelding en regels vormen de kaders ten aanzien van het toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken en van de bouwwerken die ter plaatse mogen worden gebouwd. In de voorliggende toelichting wordt in hoofdstuk 6 de inhoud van de regels en verbeelding uitgelegd. De overige hoofdstukken van de toelichting, beschrijven de ontwikkeling (hoofdstuk 2), vormen de onderbouwing vanuit het beleidsperspectief van de overheden (hoofdstuk 3), de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, de aanwezige te beschermen waarden (hoofdstuk 4), beschrijft de sectorale aspecten (hoofdstuk 5) en het draagvlak vanuit het economisch en maatschappelijk perspectief (hoofdstuk 7).

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Binnen het plangebied was voorheen de voormalige kerk 'De Ankerplaats' gevestigd. Binnen het plangebied zijn nu een parkeerplaats en een groenvoorziening gevestigd.

Ten noorden van het plangebied loopt een watergang, met aan de overzijde van het water woningen. Ten oosten van het plangebied ligt de Wilhelminalaan met het Dorpscentrum De Gaffelaar en woningen. Aan de zuidzijde zijn tevens woningen gesitueerd en aan de westzijde is een park gelegen.

2.2 Ontwikkeling

ABB heeft een plan ontwikkeld voor de bouw van 18 woningen aan de Wilhelminalaan in Zwartewaal.

De verkaveling is tot stand gekomen in samenspraak met omwonenden, door middel van een vanuit de gemeente georganiseerde klankbordgroep. Uitgangspunt was daarbij woningbouw op deze locatie, rekening houdend met de belangen van omwonenden en met de archeologische waarde van de locatie (met name het middeleeuwse burgtterrein). Aan de westzijde zijn de nieuwe woningen gesitueerd buiten de gronden met een hogere archeologische waarde. De woonblokken grenzend aan de Wilhelminalaan volgen de contour van die straat. Hierdoor ontstaat er een verkaveling die goed past binnen de reeds bestaande woonwijk. De bestemmingslegging is afgestemd op de omliggende woningen. Door bovenstaande en is sprake van een aanvaardbare nieuwe situatie.

De bestaande parkeerplaats zal door de gemeente worden verplaatst naar achter dorpscentrum De Gaffelaar.

De nieuwe woningen betreffen aaneengebouwde woningen en twee-aan-één gebouwde woningen. De twee-aan-één woningen zijn gesitueerd aan de noordzijde en de aaneengebouwde woningen aan de zuidzijde (rug aan rug).

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0004.png"

Figuur 2.2 Inrichtingstekening

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

Doelen

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Nationale belangen

Voorgaande (hoofd)doelstellingen zijn in de structuurvisie vertaald naar onderstaande nationale belangen. Deze zijn – direct of indirect – ook opgenomen in het Barro, waarmee zij juridisch doorwerken in bestemmingsplannen. De volgende belangen zijn relevant voor het plangebied:

  • 1. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. In dit kader blijft het Rijk gebiedsgerichte afspraken maken met de stedelijke regio's over de programmering van verstedelijking (woningbouw), zowel kwantitatief als kwalitatief.
  • 2. Efficiënt gebruik van de ondergrond.
  • 3. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
  • 4. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
  • 5. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Voor het overige heeft de SVIR een te hoog abstractieniveau voor dit bestemmingsplan. Voor zover relevant, voldoet het onderhavige bestemmingsplan aan de SVIR.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijventerreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

4 rode draden

In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:

1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,

2. vergroten van de agglomeratiekracht,

3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,

4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

1. Beter benutten en opwaarderen

De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compact ruimtegebruik.

2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)

Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.

Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.

3. Versterken ruimtelijke kwaliteit

Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads– en dorpsgebied te realiseren.

De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.

4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving

In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.

Voorne-Putten

De gemeente Brielle maakt deel uit van de regio Voorne-Putten. Voorne-Putten is een eiland met zowel een stedelijk als een landelijk karakter. Voorne-Putten maakt deel uit van de Zuidvleugel en daarmee van het stedelijk netwerk. Het eiland vormt een combinatie van het zeekleipolderlandschap, veenpolderlandschap, duinlandschap en buitendijks natuurlandschap. Hoewel het gebied een eenheid vormt, is de diversiteit van het eiland kenmerkender dan de samenhang. De grote variatie in landschap en mate van verstedelijking maken de samenhang minder herkenbaar.

Verrommeling van het eiland en nivellering van de landschappen liggen op de loer. Een grote opgave is dan ook een helder perspectief te scheppen, met een eigen identiteit voor Voorne-Putten. Dit perspectief ligt in een samenhangend, divers, kwalitatief hoogwaardig recreatieaanbod in combinatie met de toeristische kwaliteiten van de historische kernen en de badplaatsen in het natuurgebied van Voornes Duin.

Verordening ruimte 2014

In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.

Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Toepassing artikel 2.1.1:

Op 29 januari 2014 is door de Stadsregio Rotterdam en de gemeenten op Voorne-Putten de "Samenwerkingsafspraken woningmarkt subregio Voorne-Putten/Rozenburg 2014-2020" ondertekend. Uitgangspunt van deze afspraken is bouwen voor kwaliteit in aantrekkelijke woonmilieus. Op 18 maart 2014 is ingestemd met de Samenwerkingsafspraken. Deze afspraken bieden ruimte om in totaal 519 woningen te bouwen op verschillende locaties in de gemeente Brielle. Tevens is opgenomen dat er binnen het totaal aantal woningen "geschoven" kan worden met de locaties waar de woningen gebouwd gaan worden. De geplande woningen bij de Ankerplaats zijn opgenomen in de lijst. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de genoemde eisen uit de Verordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Brielle

Op 8 december 2009 is door de gemeenteraad van Brielle de structuurvisie Brielle vastgesteld. In de structuurvisie zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en het ruimtelijk beleid verankerd. Doelstelling van de structuurvisie is het bieden van een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een ruimtelijke structuur die bijdraagt aan:

  • goed kunnen wonen en leven in de gemeente;
  • de cultuurhistorische identiteit van Brielle;
  • een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling.

De inhoud van de structuurvisie wordt vormgegeven aan de hand van 9 ambities. Van deze ambities is het onderwerp 'woningbouw' van belang voor de onderhavige ontwikkeling. Naast duurzame invulling van het woningbouwprogramma, zet de gemeente eveneens in op een gedifferentieerde en vraaggerichte woningbouw, waarbij ook het bouwen van woningen in het duurdere segment nodig is.

Plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan is aangeduid als stedelijk gebied. Zie figuur 3.1. Binnen het stedelijk gebied zijn in stand houden en versterken voorzieningen niveau en woon- en leefklimaat van belang. De ontwikkeling van woningbuw is passend binnen het stedelijk gebied. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0005.png"

Figuur 3.1 Uitsnede Structuurvisie Brielle

3.4 Conclusie

Het bestemmingsplan is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied en is gericht op de ontwikkeling van woningen. Het voorliggend bestemmingsplan voldoet aan het beschreven beleidskader.

Hoofdstuk 4 Archeologie

Regelgeving en beleid

Monumentenwet, 1988

De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Beleidsplan "Koers bepaald"

De gemeente Brielle heeft haar eigen archeologiebeleid ontwikkeld. De gemeente Brielle heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld. Bij de beleidsnota hoort ook een archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Er zijn categorieën opgenomen voor de verwachtingswaarde. Per verwachtingswaarde gelden uitgangspunten voor nader onderzoek. Het grootste deel van het plangebied is aangewezen als AMK-terrein (rood omkaderd) . Zie figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0006.png"

Figuur 4.1 Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart

Uit het archeologisch vooronderzoek is gebleken dat de ligging van het AMK terrein (een Motte met gracht) aangepast dient te worden. De ligging van de Motte is namelijk iets verder naar het westen dan vastgesteld.

Naar aanleiding van de bevindingen van het vooronderzoek heeft de ontwikkelaar een nieuw verkavelingsplan ingediend bij de gemeente. De gemeente heeft The Missing Link gevraagd of in dit bestemmingsplan nog voorwaarden verbonden moeten worden met betrekking tot de conditie archeologie. The Missing Link is van mening dat de Motte, grachten en toegangsweg een behoudenswaardig ensemble vormen. De ligging van de Motte en het noordelijk deel van de gracht zijn door het uitgevoerde vooronderzoek goed gelokaliseerd. Voor de rest van het complex is dit niet het geval. Zo blijven er bijvoorbeeld vragen bestaan over de exacte aansluiting van de toegangsweg op de gracht. Om de vindplaats in situ te behouden stelt The Missing Link voor om:

  • De dubbelbestemming archeologie voor het plangebied te handhaven waar de vindplaats verwacht word (zie figuur 4.2 oranje lijn).
  • Vergraving dieper dan de archeologische resten niet toe te staan (vanaf 0,5m onder maaiveld).
  • Verstoring door heipalen groter dan 2% van het plangebied niet toe te staan.

Wat betreft het huidige verkavelingsplan van ABB is The Missing Link van mening dat het de Motte zal ontzien. Wel zal een deel van de gracht en de toegangsweg worden verstoord. Als de bodemingrepen groter zullen zijn dan bovenstaande regels, kan voor de noordelijke en oostelijke bouwblokken een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding worden uitgevoerd. Hiermee kan de oostelijke begrenzing van de gracht en de aansluiting van de toegangsweg worden onderzocht en door middel van documentatie behouden blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0007.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0008.png"  

Figuur 4.2 stedenbouwkundig plan geprojecteerd op boorpunten

Toetsing en conclusie

Het aspect archeologie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Voor de te beschermen gronden is een dubbelbestemming opgenomen.

Hoofdstuk 5 Sectorale onderzoeken

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de sectorale onderdelen die van belang zijn voor het bestemmingsplan.

5.1 Industrielawaai

Beleid en normstelling

Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' of 'grote lawaaimakers' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet hoger zijn dan 50 dB(A). Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er in de geluidszone van het industrieterrein geluidgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).

Onderzoek en conclusie

De planlocatie is gelegen buiten de zone van industrieterrein Maasvlakte Europoort, maar binnen de geluidzone van het industrieterrein Botlek Pernis. Om deze reden moet aandacht worden besteed aan het aspect industrielawaai.

Voor de industrieterreinen Maasvlakte-Europoort en Botlek-Pernis is door de betrokken gemeenten, de Provincie Zuid-Holland, de DCMR, het Havenbedrijf Rotterdam en Deltalinqs een convenant afgesloten. In dit convenant, het Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK), dat is ondertekend op 8 juli 2015, zijn afspraken gemaakt over onder andere de wijze waarop wordt omgegaan met woningbouw binnen de invloedsgebieden van de industrieterreinen. De woningbouwlocatie De Ankerplaats is daarin opgenomen.

Het RAK biedt een bepalingsmethode voor het akoestisch onderzoek op basis van vastgestelde geluidcontouren. Daarnaast staan er procesafspraken in voor gevallen waarbij de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft contouren verstrekt van de geluidbelasting ten gevolge van Botlek Pernis, met stappen van 1 dB. Uit figuur 5.1 blijkt dat de geluidbelasting in het plangebied varieert van 56 dB(A) tot 58 dB(A). In een uitgebreid akoestisch onderzoek is per woning de exacte geluidbelasting bepaald. Zie hiervoor bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0009.png"Figuur 5.1. Contouren Botlek-Pernis ter plaatse van locatie plangebied

De waarden zijn hoger dan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder. Dit betekent dat via de reguliere weg geen hogere waarden kunnen worden vastgesteld en een zogenaamd stap 3-besluit (op grond van de Interimwet stad-en-milieubenadering) noodzakelijk is om af te wijken van de wettelijke grenswaarde. De procedure voor het Stap 3-besluit zal worden gekoppeld aan de procedure voor het bestemmingsplan. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de vergaande inhoudelijke eisen die worden gesteld aan de motivering van een dergelijk besluit.

Uit het onderzoek blijkt dat bij elk van de 18 woningen de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt overschreden. Maatregelen aan de bron zijn reeds getroffen naar aanleiding van het saneringsprogramma voor Botlek-Pernis. Aanvullende bronmaatregelen zijn niet doelmatig. Bovendien vormen de vastgestelde MTG-contouren een recht voor de bedrijven om een bepaalde hoeveelheid geluid uit te emitteren. Maatregelen in de overdracht zijn aan de bronzijde niet doelmatig en stuiten aan de ontvangerzijde op bezwaren van stedenbouwkundige aard en technische aard.

Bij de indeling van het plangebied is het aspect geluid in een vroegtijdig stadium betrokken. De gebouwen bieden onderling zo veel als mogelijk afscherming tegen geluid, rekening houdend met de andere randvoorwaarden die meespelen bij de indeling van het plangebied.

Aangezien er geen mogelijkheid is om de geluidbelasting door het treffen van maatregelen te reduceren, is een besluit hogere waarden noodzakelijk. De gemeente Brielle beschikt over beleid dat richting geeft aan de besluitvorming rond hogere waarden. Bij het merendeel van de woningen wordt voldaan aan dit beleid. Bij 5 woningen wordt niet voldaan aan de voorwaarde van een geluidluwe gevel, maar alle woningen beschikken wel over een geluidluwe buitenruimte. Er is voldoende aanleiding om voor 5 woningen af te wijken van het beleid.

Gelijktijdig met het publiceren van het voorontwerpbestemmingsplan wordt een melding gedaan bij gedeputeerde staten van Zuid-Holland, van het voornemen om gebruik te maken van de mogelijkheid uit de Interimwet stad-en-milieubenadering om af te wijken van de grenswaarden van de wet geluidhinder. Een kopie van deze melding is opgenomen in bijlage 2.

5.2 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 18 woningen. Dit aantal woningen valt ver onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook “niet in betekenende mate” bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2016 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Sluisweg (maatgevende doorgaande weg langs het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 20,5 µg/m³ voor NO2, 17,7 µg/m³ voor PM10 en 10,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6 dagen.

Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.3 Bedrijven en milieuhinder

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

Onderzoek en conclusie

De planlocatie is gelegen binnen een bestaande woonwijk. In de omgeving zijn hoofdzakelijk woningen aanwezig. In de directe omgeving is wel een maatschappelijke voorziening aanwezig. Vanwege de ligging binnen een bestaande woonwijk wordt het gebied getypeerd als een rustige woonwijk.

De maatschappelijk voorziening is gelegen aan de overzijde van de Willem-Alexanderstraat en betreft Dorpscentrum De Gaffelaar. Op basis van de VNG-publicatie geldt hiervoor een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Deze richtafstand geldt in een rustige woonwijk. De afstand tussen het dorpscentrum en het plangebied bedraagt ongeveer 11 meter, gemeten tussen het bouwvlak van de beoogde woningen en de bestemmingsgrens 'maatschappelijk'. De feitelijke afstand tot aan het bouwvlak van het Dorpscentrum bedraag circa 20 m. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de richtafstand voor een rustige woonwijk.

Het dorpscentrum is relatief klein en wordt overwegend gebruikt door verschillende sportverenigingen. Dit varieert van kleutergym tot yoga en bokslessen. Ook wordt er een knutsel- en tekenclub gefaciliteerd. De activiteiten vinden hoofdzakelijk binnen plaats. Rondom het dorpscentrum is geen voorziening aanwezig waar buiten activiteiten kunnen plaatsvinden. Op basis hiervan wordt een geringe geluidsuitstraling vanuit het dorpscentrum verwacht. Daarnaast zijn er in de huidige situatie reeds woningen op minder dan 30 m afstand aanwezig. Het betreft een historisch gegroeide situatie. De woningen in de omgeving van de Gaffelaar ondervinden geen belemmeringen. Gelet op voorgaande wordt de feitelijke afstand van 20 m tot aan het dorpscentrum acceptabel geacht.

Verder is er in de directe omgeving geen bedrijvigheid aanwezig die van invloed is op de milieusituatie in het plangebied, of die in hun bedrijfsvoering wordt beperkt door de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van de beoogde woningen zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering en bedrijvigheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.4 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicorelevante inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicorelevante inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. Het Bevi definieert een zogenaamde oriëntatiewaarde, waarmee het groepsrisico moet worden vergeleken.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Beleidsvisie externe veiligheid

Brielle grenst aan het Rotterdamse havenindustriegebied, waar relatief veel risicovolle bedrijven zijn gevestigd en waar sprake is van transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Ook in de gemeente zelf zijn bedrijven gevestigd die relevant zijn en vindt er transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dit heeft tot gevolg dat een deel van de gemeente Brielle in het invloedsgebied ligt van één of meer risicobronnen. Dit betekent dat bij veel ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente aandacht besteed moet worden aan het onderwerp externe veiligheid.

In de wet- en regelgeving wordt ruimte gelaten voor een afweging van enerzijds de risico's en anderzijds de overige maatschappelijke belangen. In deze belangenafweging zit beleidsvrijheid voor de gemeente. Om deze afweging te kunnen maken legt de gemeente Brielle in de beleidsvisie externe veiligheid voor het aspect externe veiligheid met afspraken de grenzen van het speelveld vast voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

Onderzoek en conclusie

Risicovolle inrichtingen

Uit de Visie externe veiligheid Brielle en uit de provinciale risicokaart blijkt dat in het plangebied en in de directe omgeving geen risicorelevante inrichtingen aanwezig zijn waarvan het invloedsgebied over het plangebied valt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Binnen de gemeente Brielle is een route voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Het gaat om de N57,een deel van de N218, Seggeweg, Seggelant-zuid en deel Seggelant-west. De vastgestelde route loopt niet langs het plangebied.

Op circa 2 km ten noorden en oosten is de spoorlijn Botlek – Europoort gelegen waarover vervoer van zeer toxische vloeistoffen plaatsvindt. Het effectgebied van het spoor is meer dan 4.000 meter en rijkt dan ook volledig over het plangebied. In vrijwel alle gevallen wordt het groepsrisico echter bepaald door het vervoer van de stofcategorie brandbaar gas. Voor de uitkomst van de groepsrisicoberekening is het dan voldoende nauwkeurig om de bevolkingsdichtheid te inventariseren tot 400 meter van de as van de spoorbaan. Toevoegen van bevolking buiten de 400 meter levert geen wezenlijke verandering meer in het resultaat (Rijkswaterstaat, Handleiding Risicoanalyse Transport, d.d. 17 juni 2014). Gelet op de afstand tussen het spoor en het plangebied en de omvang van de beoogde ontwikkeling heeft de beoogde ontwikkeling geen zichtbaar effect op de hoogte van het groepsrisico. De aanwezigheid van de spoorlijn vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Theemswegtracé

Op 23 mei 2017 is het Theemswegtracé vastgesteld. Dit betekent dat het spoorlijntraject Botlek – Europoort (Callandtracé) gewijzigd gaat worden. Het nieuwe traject is genaamd het Theemswegtracé. Het Theemswegtracé maakt deel uit van de Betuweroute en vormt een oplossing voor de problematiek rond de Calandbrug. De aanleg van het nieuwe traject begint in 2018 en het traject komt een stuk dichterbij Zwartewaal te liggen. In figuur 5.2 is het nieuwe traject weergegeven op een luchtfoto met daarbij de afstand tot het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0010.png"

Figuur 5.2 Ligging Theemswegtracé en plangebied

Het nieuwe spoortraject is gelegen op een afstand van meer dan 900 meter van het plangebied. Zoals hiervoor beschreven levert toevoegen van bevolking buiten de 400 meter geen wezenlijke verandering meer op in het resultaat (Rijkswaterstaat, Handleiding Risicoanalyse Transport, d.d. 17 juni 2014) van een groepsrisicoberekening. Gelet op de afstand tussen het nieuwe spoortraject en het plangebied en de omvang van de beoogde ontwikkeling heeft de beoogde ontwikkeling geen zichtbaar effect op de hoogte van het groepsrisico. De aanwezigheid van de spoorlijn vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Over de watergang direct langs het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Over het Hartelkanaal vindt echter wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het Hartelkanaal is een belangrijke binnenvaarweg. Uit het basisnet blijkt dat de PR 10-6 risicocontour niet buiten de vaarweg is gelegen. Vanwege het vervoer van toxische gassen over deze vaarweg bedraagt het maximale invloedsgebied voor het groepsrisico 1.070 m. De afstand van de beoogde ontwikkeling tot de watergang is circa 700 meter. Hiermee ligt het plangebied in het invloedsgebied van een ongeval met giftige stoffen (categorie GT3).

Het groepsrisico bij een vaarweg dient berekend te worden als de bevolkingsdichtheid groter is dan 1.500 pers/ha dubbelzijdig of 2.250 pers/ha enkelzijdig. Hiervan is in dit geval geen sprake. De bevolkingsdichtheid in Zwartewaal is 224 inwoners / km2 (bron oozo.nl). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de bouw van 18 verspreid liggende woningen. Deze ontwikkeling heeft slechts een beperkte toename in personendichtheid tot gevolg. Dit zal mede gelet op de afstand niet van invloed zijn op de hoogte van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico

Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van het spoortraject Botlek – Europoort en het Hartelkanaal dient het groepsrisico te worden verantwoord. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet van invloed is op de hoogte van het groepsrisico kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan de beheersbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Deze verantwoording is hieronder opgenomen. In het kader van het wettelijk vooroverleg zal aanvullend advies gevraagd worden aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

Scenario

Het worst case scenario voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het Hartelkanaal en het spoortraject Botlek – Europoort is het toxisch scenario. Door het bezwijken van een scheepscompartiment of spoorketelwagen met toxische stoffen, komt de inhoud ervan vrij. Mensen die worden blootgesteld aan de toxische stof kunnen hieraan overlijden of gewond raken.

Zelfredzaamheid 

Met betrekking tot de zelfredzaamheid zijn er maatregelen die genomen kunnen worden om de zelfredzaamheid te vergroten. De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. Voor het beschouwde scenario als gevolg van het falen van een tankcompartiment van een binnenvaartschip of spoorketelwagen met toxische stoffen, geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar voor omwonenden. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Het gaat hierbij om het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructies met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Het is zaak zorg te dragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand".

Conclusie 

Het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoortraject Botlek - Europoort en het Hartelkanaal. Het groepsrisico zal door de ontwikkeling echter niet of nauwelijks worden beïnvloed. De conclusie is dat het aspect externe veiligheid de ontwikkeling niet in de weg staat.

5.5 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Het waterschap is geïnformeerd middels de Digitale Watertoets (24-4-2017). Vervolgens heeft nader overleg met het waterschap plaats gevonden (17-5-2017). Het waterschap heeft positief geoordeeld ten aanzien van voorliggend plan.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:

  • Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename;
  • Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;
  • Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat uit het terrein van een voormalig kerkgebouw en deels uit het aangelegen groengebied. Op de locatie van het voormalig kerkgebouw is momenteel een parkeerplaats aanwezig. Het plangebied bestaat dan ook voor een groot deel uit verharding.

Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Zwartewaal is het plangebied op de Bodemkaart van Nederland niet gekarteerd. In de omgeving van Zwartewaal bestaat de bodem voornamelijk uit lichte klei met homogeen profiel en zavel met homogeen profiel. Nabij het plangebied is sprake van grondwatertrap V. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m onder het maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m onder het maaiveld ligt.

Waterkwantiteit

Ten noorden van het plangebied is een hoofdwatergang gelegen (zie figuur 5.3). Deze watergang is in beheer van het Waterschap Hollandse Delta. Voor deze watergang geldt een beschermingszone van 5 m. Binnen deze zone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. De watergang behoort niet tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0011.png"

Figuur 5.3 Waterlopen nabij plangebied (rode cirkel). Bron: Legger Hollandse Delta

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een primaire of regionale waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is gedeeltelijk aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 18 woningen met tuin. In figuur 5.4 is de oppervlakte aan verharding in de huidige en toekomstige situatie weergegeven. Hieruit blijkt dat ten opzichte van de huidige situatie sprake is van een toename in verharding van 895 m2. Hierbij is ervan uitgegaan dat 50% van de tuinen verhard zal worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0012.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0013.png"  

Figuur 5.4 Verharding plangebied

Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden. Als gevolg van de toename in verharding van voorliggend plan dient er dus circa 89,5 m2 (895 m2 * 0,1) aan functioneel open water te worden gerealiseerd. Er is voldoende mogelijkheid om de compensatie eis binnen/nabij het plangebied uit te werken. De exacte invulling en beoordeling voor wat betreft de oppervlakte zal plaatsvinden tijdens de vergunningprocedure. De aanleg van de benodigde watercompensatie vindt plaats in samenspraak met de onderhoudsplichtige (het waterschap).

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Als gevolg van de toename in verharding zal watercompensatie gerealiseerd worden. Dit wordt in een latere fase nader uitgewerkt.

5.6 Bodemkwaliteit

Beleid en Normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek

Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy 2832.001). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er ter plaatse van boorgat 13 een visueel sterk met kolengruis/verbrandingsresten verontreinigde laag in de bovengrond is aangetroffen. De laag blijkt tevens sterk verontreinigd met minerale olie, PCB en PAK. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood en PCB en de ondergrond is licht verontreinigd met PAK. Het grondwater blijkt licht verontreinigd met barium en xyleen.

Gelet op de aard en mate van de lichte verontreinigingen in de boven- en ondergrond en het grondwater zijn er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen voor de nieuwbouw van woningen ter plaatse.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek is nader bodemonderzoek uitgevoerd naar de aard en omvang van de geconstateerde sterke verontreiniging met minerale olie, PAK en PCB. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4.

Uit het nader onderzoek blijkt dat de bodem rondom de vermoede kern van de verontreiniging plaatselijk zwak (of sporen) kolengruis-, beton-, baksteen-, en glashoudend is. Ter plaatse van het asfalt is een fundatie aanwezig bestaande uit gebroken puin. Direct ernaast (boorpunt 1305) is de uitloper van de fundatie aanwezig (sterk puinhoudend).

In de bovengrond rondom de kern van de verontreiniging (boorpunt 13) zijn plaatselijk lichte verontreinigingen aangetroffen met enkele zware metalen, PAK, PCB en minerale olie (m.n. boorpunt 1305 direct naast de kern). De verontreinigingen zijn vermoedelijk grotendeels te relateren aan de nabij aangetroffen verbrandingsresten.

Op basis van analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen wordt de sterke verontreiniging met PAK, PCB en minerale olie in de grond als afgeperkt beschouwd. De sterke verontreiniging in de grond bevindt zich in de kern van de verontreiniging vanaf 0,3 m -mv tot circa 0,5 m -mv. De totale omvang van de sterke verontreiniging op de locatie wordt geraamd op 1 m³. De hypothese dat vermoedelijk sprake is van een zeer plaatselijke verontreiniging, welke te relateren is aan de verbrandingsresten, wordt bevestigd. In de ondergrond (en het grondwater) zijn geen verontreinigingen aangetoond, waardoor sprake is van een immobiele verontreinigingssituatie. Er is waarschijnlijk sprake geweest van een kleine calamiteit ter plaatse. Het is niet duidelijk wanneer deze heeft plaatsgevonden.

Aangezien niet duidelijk is wanneer de verontreiniging is ontstaan wordt aangenomen dat sprake is van een bestaand geval van bodemverontreiniging (ontstaan < 1987). Uitgaande van het voorgaande, alsmede van de mate en het volume van de geconstateerde verontreinigingen (minder dan 25 m³ sterk verontreinigde grond), wordt gesteld dat het hier, in het kader van de Wet bodembescherming, geen geval van ernstige bodemverontreiniging betreft.

Conclusie

De aanwezige verontreiniging is zeer beperkt van omvang en vormt derhalve geen noemenswaardige belemmering voor de bestemmingsplanwijziging en de herinrichting van de locatie. Geadviseerd wordt de met verbrandingsresten verontreinigde bodem voorafgaand aan de herinrichting te saneren conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan van aanpak. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt verder geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.7 Ecologie

Beleid en normstelling

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in of in directe nabijheid van natuurgebieden. Ten zuiden van het plangebied, op circa 400 meter afstand, ligt natuurgebied dat onderdeel uit maakt van het Natuurnetwerk. Natura 2000-gebied ligt op grote afstand, circa 9 kilometer. Gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling zal geen sprake zijn van negatieve effecten op natuurgebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0501.ankerplaats-0110_0014.png"

Figuur 5.5. Ligging NNN gebied

Soortenbescherming

Het plangebied is aan de hand van een veldbezoek op 20 oktober 2016 beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Het rapport is opgenomen als bijlage 5. Sinds 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De resultaten van het onderzoek zijn geactualiseerd voor de Wet natuurbescherming, dit heeft geen gevolgen voor voorliggend plan. In tabel 5.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen en in nabijheid van het plangebied naar verwachting aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 5.2 Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

Wet Natuurbescherming   Nader onderzoek nodig bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting  
Vogelrichtlijn     alle inheemse soorten
 
Nee  
Habitatrichtlijn bijlage IV     Vleermuizen (vliegroute en foerageergebied)   Ja  
Overige soorten   Algemeen


Vrijstellingsregeling provincie Zuid-Holland  



bruine kikker, gewone pad, egel en bosmuis
 
nee


Nee  

De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden

  • Er is geen ontheffing nodig voor de benoemde 'overige soorten' omdat hiervoor in provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 augustus (bron: www.vogelbescherming.nl).
  • De betekenis van het park, de bomen en struiken, als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen kan niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk.

Uit de quickscan blijkt dat nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is. Tijdens het voorzomeronderzoek zijn enkel foeragerende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers aangetroffen. Er zijn geen kolonieplaatsen of vliegroutes vastgesteld. De resultaten van de voorherfst bezoeken zijn op dit moment nog niet bekend.

Conclusie

De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Pas na de afronding van het herfstonderzoek naar vleermuizen kan worden bepaald of er verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en ontheffing is vereist.

5.8 Verkeer en parkeren

Ontsluitingsstructuur

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied ligt aan de Wilhelminalaan. Via de Wilhelminalaan wordt in zuidelijke richting, via de Hollemarestraat en Henry Fordstraat, ontsloten op de Groene Kruisweg (N218). Via de N218 is een groter netwerk te bereiken, waaronder Brielle en de N57. Vanuit het plangebied gaat de Wilhelminalaan in noordelijke richting over op de Willem-Alexanderstraat. De Willem-Alexanderstraat sluit aan op de Sluisweg. Vanaf de Sluisweg zijn achterliggende erftoegangswegen buiten de bebouwde kom bereikbaar.

De wegen in de omgeving van het plangebied zijn conform Duurzaam Veilig gecategoriseerd. De Wilhelminalaan, Willem-Alexanderstraat, Hollemarestraat en de Henry Fordstraat hebben de functie van erftoegangsweg (30 km/u). De N218 is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 80 km/u. De ontsluiting van het plangebied voor het gemotoriseerd verkeer is goed.

Langzaam verkeer

Binnen de bebouwde kom van Zwartewaal deelt de fietser, conform de richtlijnen uit Duurzaam Veilig, de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. De N218 beschikt aan de zuidelijke zijde over een vrijliggend tweerichtingen fietspad. De omliggende wegen van het plangebied zijn voorzien van trottoirs voor voetgangers. Geconcludeerd wordt dat de ontsluiting van het plangebied voor het langzaam verkeer goed is.

Openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde openbaarvervoerhalte ligt buiten de bebouwde kom, aan de N218. De loopafstand van de halte bedraagt circa 10 minuten vanaf het plangebied. Vanaf de halte rijdt één dienstregeling tussen Brielle/Rockanje en Spijkenisse (metro) centrum. De loopafstand naar de halte vanaf het plangebied wordt acceptabel geacht.

Parkeren

In het GVVP (gemeentelijk verkeers- en vervoersplan) van de gemeente Brielle (2009-2020) wordt aangesloten bij de parkeernormen uit het ASVV 2004 van het CROW. Het CROW heeft in de tussen tijd haar parkeernormen vernieuwd in de ASVV 2012 en expliciet in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (2012)'. De vernieuwde uitgave wordt daarom maatgevend geacht voor de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen.

Het voornemen bestaat uit 14 rijwoningen en 4 twee-onder-één-kap woningen. Voor het juiste kencijfer zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd. De ontwikkeling vindt plaats in een weinig stedelijke gemeente in de rest bebouwde kom. Binnen de bandbreedte van de kencijfers wordt het gemiddelde gehanteerd. Per rijwoning zijn volgens het CROW 2,0 parkeerplaatsen nodig en per twee-onder-één-kap woning 2,2 parkeerplaatsen. Mede door de ontwikkeling van een nieuw parkeerterrein ten noorden van de Wilhelhelminalaan is met de gemeente is overeengekomen dat met 1,8 parkeerplaatsen per woning voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. De parkeerbehoefte is opgenomen in tabel 5.2.

Tabel 5.2 Parkeerbehoefte

Soort woning   Aantal woningen   Kencijfer   Parkeerbehoefte  
Rijwoning   14   1,8   25,2 parkeerplaatsen  
Twee-onder-één-kap woning   4   1,8   7,2 parkeerplaatsen  
Totaal       33 parkeerplaatsen  

3 twee-onder-één-kap woningen zijn voorzien van een eigen parkeerplaats op de oprit. Daarnaast beschikken 5 rijwoningen ook over een eigen parkeerplaats. De overige 25 parkeerplaatsen zijn openbaar opgenomen in het plangebied, waarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling is berekend op basis van de kencijfers uit publicatie 317 van het CROW. Op basis van een ligging in een weinig stedelijke omgeving in de rest van de bebouwde kom, is het gemiddelde aantal voertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal) voor de woningen bepaald (zie tabel 5.3).

Tabel 5.3 Verkeersgeneratie plangebied

Soort woning   Aantal woningen   Verkeersgeneratie
per woning  
Verkeersgeneratie  
Rijwoning   14   7,4   104 mvt/etmaal  
Twee-onder-een-kap   4   7,8   32 mvt/etmaal  
Totaal       136 mvt/etmaal  

De totale verkeersgeneratie vanuit het plangebied bedraagt 136 mvt/etmaal. Dit betreft de verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een werkdag vindt plaats op basis van een omrekenfactor van 1,11. De verkeersgeneratie op een werkdag bedraagt circa 151 mvt/etmaal.

Het voormalige parkeerterrein wordt verplaatst, er is in deze situatie niet gerekend met een reductie van het aantal verkeersbewegingen door de sanering van het huidige parkeerterrein. De toename van 151 mvt/etmaal ten gevolge van de nieuwe woningen bedraagt op piekmomenten (10% in de spits) circa 15 mvt. Deze beperkte toename zal op gaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Daarnaast leidt een intensiteit van 5.000-6.000 mvt/etmaal op een erftoegangsweg binnen de bebouwde niet tot knelpunten (CROW, Handboek Verkeersveiligheid). Bij de gemeente zijn geen verkeersintenisteiten van de Wilhelminalaan en omliggende wegen bekend. Als aanname wordt een intensiteit van circa 3.000 mvt/etmaal worst-case geacht. Dit aantal zal, ook na planontwikkeling, zodoende niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling leiden.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is voor alle modaliteiten goed. In het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. De verkeerstoename ten gevolge van de ontwikkeling levert geen problemen op in de verkeersafwikkeling. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

5.9 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidshinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De nieuwe woningen zijn geluidgevoelige functies en niet gelegen binnen de geluidzones van gezoneerde wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie zijn de nieuwe woningen getoetst op wegverkeerslawaai van de aanliggende 30 km/u wegen. Getoetst is op wegverkeerslawaai van de Wilhelminalaan en de Christinalaan, het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 6.

Resultaten

Uit de modelresultaten blijkt dat de richtwaarde van 48 dB ten gevolge van het verkeer op de Wilhelminalaan en de Christinalaan wordt overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt 55 dB. De maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De gecumuleerde geluidbelasting neemt met 1 dB toe, dit verschil is niet waarneembaar voor het menselijk gehoor, de hinderklasse blijft dan ook gelijk.

Uit het maatregelenonderzoek blijkt dat noch maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied doelmatig zijn om te voldoen aan de richtwaarde. In onderhavige situatie beschikken alle woningen over ten minste één geluidluwe gevel. Daarnaast is de buitenruimte bij iedere woning gesitueerd aan de geluidluwe zijde. De akoestische situatie in het plangebied voldoet daarmee aan het gemeentelijk hogere waarde beleid.

Conclusie

Er sprake is van overschrijding van de richtwaarde ten gevolge van de Wilhelminalaan en Christinalaan, niet-gezoneerde wegen. Ten gevolge van de overschrijdingen kan geen hogere waarde worden aangevraagd. Aangezien de maximale aanvaardbare waarde van 63 dB in het plangebied niet wordt overschreden, is er sprake van een akoestisch aanvaardbaar klimaat. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.

5.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Beleid en normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 18 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Hieronder wordt een beknopte beoordeling gemaakt.

Kenmerken van het project

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 18 woningen. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedelijke structuur van Zwartewaal. In een gemeente met circa 6.930 woningen en een oppervlakte van circa 2.756 hectare is de omvang van het project relatief klein. De kenmerken van het effect rechtvaardigen geen MER.

Plaats van het project

Het plangebied ligt niet in een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000-gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op ca. 400 meter afstand en het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op ca. 9 km afstand. Gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling zal geen sprake zijn van negatieve effecten op natuurgebieden. De locatie ligt binnen de stedelijke structuur van Zwartewaal, op een locatie die in het recente verleden al in gebruik was en was bebouwd voor stedelijke functies. De plaats van het project rechtvaardigt geen MER.

Kenmerken potentiële effecten

Een woningbouwlocatie heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. Te verwachten effecten hangen samen met de verkeersaantrekkende werking en mogelijk veranderingen in de waterhuishouding (toename verharding). Gezien de voormalige inrichting van de locatie en de ligging hiervan aan de hoofdinfrastructuur van Zwartewaal, zijn er geen effecten aan de orde die een MER rechtvaardigen. Bij de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in het bestemmingsplan wordt nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving.

Conclusie

Gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten kan op voorhand worden geconcludeerd dat er hiermee geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Planregels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 zijn de inleidende bepalingen opgenomen, hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsbepalingen. Verder zijn in hoofdstuk 3 de algemene regels opgenomen en tot slot staan in hoofdstuk 4 de slot- en overgangsregels. Per hoofdstuk wordt hieronder nader ingegaan op de regels.

6.1.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Conform het geldende bestemmingsplan zijn in artikel 1 en 2 de begrippen en de wijze van meten opgenomen.

Artikel 1 Begrippen

De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.

6.1.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De bestemmingsbepalingen zijn opgezet volgens een vaste volgorde, die is vastgelegd binnen de SVBP. De bestemmingslegging is afgestemd op het gelde bestemmingsplan. Alle bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • een bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;

en in sommige gevallen:

  • afwijking van de bouwregels;
  • nadere eisen;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Hieronder zijn de verschillende artikelen toegelicht. Allereerst komen de enkelbestemmingen aan bod die de primaire functies van de gronden aangeven. Daarnaast is er ook een dubbelbestemming opgenomen, waarin de bescherming van de (verwachte) archeologische waarden wordt geregeld. Deze dubbelbestemming moet tevens in acht worden genomen op de gronden waar deze van toepassing zijn.

Artikel 3 Groen

Binnen de kern Zwartewaal hebben groenstroken en plantsoenen die een functie hebben in de landschappelijke beleving van de omgeving de bestemming Groen. In dit bestemmingsplan betreft dit met name het park aan de westzijde. Op de gronden zijn tevens watergangen en waterpartijen toegelaten. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die passen in een groenvoorziening, zoals speelgelegenheid en kleine gebouwtjes van openbaar nut.

Artikel 4 Verkeer

De functie van verkeer richt zich met name op de verkeers- en verblijfsfunctie. Hierbinnen zijn onder andere wegen, paden, groen- en parkeervoorzieningen toegestaan.

Artikel 5 Wonen

De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’ zijn primair bedoeld voor het wonen. In woningen zijn naast het wonen ook beroepsmatige activiteiten rechtstreeks toegestaan over een beperkt oppervlak van de woning. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat in dit kader een onderscheid wordt gemaakt in beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten. Onder beroepsmatige activiteiten worden de activiteiten verstaan die samenhangen met de zogenaamd traditionele vrije beroepen (zoals bijvoorbeeld notarissen, tandartsen en advocaten) en beroepen op het gebied van onder andere de administratieve, juridische en medische dienstverlening. Bedrijfsmatige activiteiten betreffen in beginsel algemeen ambachtelijke activiteiten. Deze laatste groep van activiteiten is alleen in een woning toegestaan door middel van het verlenen van een afwijking van het bestemmingsplan. De regeling voor de uitoefening van beroepsmatige activiteiten in een woning is er op gericht om een woning zijn woonfunctie in overwegende mate te laten behouden. De oppervlakte van een woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, die in gebruik is voor beroepsmatige activiteiten is altijd kleiner dan de oppervlakte die niet voor deze activiteiten wordt gebruikt. Naast dit relatieve maximum is een absoluut maximum verbonden aan het gebruik van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken voor de uitoefening van beroepsmatige activiteiten

Voor wat betreft het bouwen geldt dat de voorgevels van woningen in of achter de op de verbeelding aangegeven voorste bouwvlakgrens gebouwd dienen te worden. Woningen dienen te voldoen aan diverse andere maatvoerings- en situeringseisen. Verschillende van deze eisen zijn afhankelijk gesteld van het type woning. Het maximaal toelaatbare oppervlak aan bijbehorende bouwwerken is afhankelijk van de omvang van het bouwperceel. Daarnaast zijn situeringseisen en een maximale goothoogte bepaald. Daarnaast is een bepaling opgenomen voor de gevallen dat een bijgebouw dan wel aan- of uitbouw in de zijdelingse perceelgrens wordt gebouwd en een bouwhoogte heeft van meer dan 3 meter. In een dergelijk geval moet het dak waarmee het bijgebouw dan wel de aan- of uitbouw wordt afgedekt een dakhelling hebben van maximaal 45° en dient de dakhelling op de zijdelingse perceelgrens georiënteerd te zijn. Ofwel de schuine kant moet gericht zijn op het naburige perceel. Het doel van deze regeling is dat in de perceelscheiding geen hoge blinde muren worden gebouwd, hetgeen problemen kan veroorzaken voor de bezonning van de naastgelegen tuin.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 1

Voor de bescherming van de aanwezige archeologische verwachtingswaarde is een dubbelbestemming opgenomen. Zie hoofdstuk 4.

6.1.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Conform het geldende bestemmingsplan zijn in de artikelen 7 t/m 13 algemene regels opgenomen over anti-dubbeltelbepalingen, bouwen, gebruik, de aanduiding 'geluidzone - industrie', afwijking, wijziging en overige regels (parkeerregeling en economische delicten).

6.1.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan.

Artikel 15 Slotregel

Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen.

De kosten voor de uitvoering van het bouwplan liggen volledig bij de ontwikkelende partij. Tevens is er een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Inspraak

De verkaveling is tot stand gekomen in samenspraak met omwonenden, door middel van een vanuit de gemeente georganiseerde klankbordgroep. In oktober 2014 heeft de laatste openbare informatieavond plaatsgevonden. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de inspraak zal er een informatieavond georganiseerd worden.

7.2.2 Overleg

Het voorontwerpbestemmingsplan zal naar de wettelijke overlegpartners verstuurd worden. In het ontwerpbestemmingsplan zal een verslag van het overleg worden opgenomen in de bijlage.